Internet maakt van koning klant een stampvoetende kleuter

Google is een ramp in wording. Niemand weet wanneer die zich precies zal voordoen, maar dat de markt een revaluatie van de aandelen zal afdwingen is onvermijdelijk, voorspelt het Amerikaanse beursblad Barron's. Immers, de huidige koers is gebaseerd op een winstgroei die het bedrijf onmogelijk kan waarmaken.

Het sterke punt van Google, adverteren op internet, is tegelijkertijd het zwakke punt. Barron's redeneert als volgt. De effectiviteit van adverteren via de oude media is samen te vatten in het oude gezegde dat de helft van elke dollar die je uitgeeft aan adverteren weggegooid geld is. Het gaat erom uit te vinden welke helft dat is. Maar die oude wijsheid is niet van toepassing op adverteren op internet. Immers, de clicks vertellen de adverteerder precies wie hij op bezoek krijgt.

Dat voordeel is ook het nadeel. Want hoe meer clicks een adverteerder krijgt, hoe meer hij Google moet betalen. Dat biedt de concurrent de mogelijkheid om de adverteerder flink op kosten te jagen. Immers, je kunt mensen huren om de hele dag te klikken zonder iets te kopen. En dat kun je ook automatiseren.

Als dat op grote schaal gebeurt, zo gaat het scenario van de Google-pessimisten, stijgen de advertentiekosten, waardoor adverteerders hun heil elders zoeken en Google genoodzaakt is de prijzen te verlagen. Daardoor dalen de inkomsten, stopt de groei en zakt de koers. Het blad meent daarom dat Google's huidige aandelenkoers onhoudbaar is. Google's technologie, concludeert het blad, leidt tot zelfvernietiging.

Digitale technologie is niet alleen in staat zichzelf de das om te doen, maar is ook een gevaar voor het sociale leven, betoogt William Davies in het Britse maandblad Prospect. “De traditionele rechtvaardiging voor technologische innovatie is dat ze de productiviteit en de economie doet groeien“, schrijft de auteur, senior onderzoeker bij het Britse Institute for Public Policy Research. Maar de praktijk wijst uit dat digitale technologische vernieuwingen niet de productiviteit doen groeien, maar de keuzevrijheid van de consument verruimen.

Als de klant vroeger koning was, dan is hij nu het beste te vergelijken met “een grillige dictator of een stampvoetende kleuter“, meent de auteur. Ongelimiteerde vrijheid is bepaald niet synoniem met sociale en economische vooruitgang.

De auteur vergelijkt de digitalisering met “de stedenbouwkundige en planologische rampen van de jaren vijftig en zestig, toen de planologen onze steden doorploegden met verkeerswegen“ en niet konden bedenken dat “het afremmen van verkeer even waardevol kan zijn als het versnellen ervan“.

Beperking van het digitale verkeer is in het Indiase Bangalore ondenkbaar. De infrastructuur van de stad kreunt onder de toestroom van nieuwe bedrijven, schrijft het Britse opinieweekblad New Statesman in het omslagverhaal over India. Ook steden als New Delhi, Bombay en Hyderabad kunnen niet snel genoeg groeien om de veertig buitenlandse bedrijven te huisvesten die zich per maand in India vestigen. Daardoor stijgen de salarissen van de Indiase medewerkers van bedrijven als Hewlett-Packard, Intel en Sun Microsystems zo'n 20 procent per jaar.

Dat heeft onder andere tot gevolg dat Indiase bedrijven werk dat niet gebonden is aan het gebruik van de Engelse taal, opnieuw uitbesteden naar China, omdat de salarissen daar weer veel lager zijn dan in India.

India verovert de wereldmarkt, schrijft het Duitse zakenblad Wirtschaftswoche in het omslagverhaal. “De aanval van staalgigant Mittal op Europese rivaal Arcelor is nog maar het begin.“ De strategische manoeuvre van Mittal staat model voor de uitbundige groei van de Indiase economie. Die is volgens het blad te danken aan de liberalisering van het bedrijfsleven.

Ook de armen varen er wel bij. Sinds de liberalisering is het deel van de Indiase bevolking dat onder de armoedegrens valt, geslonken van 50 procent tot 26 procent, terwijl er in de grote steden een koopkrachtige middenklasse is ontstaan van 300 miljoen mensen.

Internationale beleggers stimuleren de groei. Directe buitenlandse investeringen groeiden van 5 miljard dollar in 2004 tot 7,5 miljard dollar in 2005. Dit jaar zal de geldstroom aanzwellen tot 10 miljard dollar, aldus het blad. Omgekeerd investeren de Indiërs steeds meer in het westerse bedrijfsleven. Vorig jaar hebben Indiase ondernemers meer geld geïnvesteerd in de voormalige koloniale grootmacht Groot-Brittannië dan omgekeerd.

Frankrijk is minder aantrekkelijk voor buitenlandse investeringen, meent het Britse weekblad The Economist in een artikel over de reactie van Europese, vooral Franse politici op het vijandige overnamebod van het Indiase Mittal op het Europese Arcelor.

Het blad herinnert eraan dat de Franse overheid onlangs nieuwe wetgeving heeft bedacht die het de overheid mogelijk maakt een veto uit te spreken tegen overnames in elf sleutelsectoren. Deze zijn alle gerelateerd aan defensie, en staal hoort daar niet bij.

Het blad denkt daarom dat de Fransen ondanks alle retoriek geen vuist kunnen maken. De enige die roet in het eten van Mittal kan gooien is de Europese Commissaris voor Mededinging. Maar dat is onwaarschijnlijk omdat er van trustvorming nauwelijks sprake is. Arcelor is sterk in Europa en Mittal in Amerika.