In Warao is “touw' “tao'

De Warao-indianen in Venezuela blijken Nederlandse leenwoorden te gebruiken.

Vorige week (26 januari) beschreef Otto Holzhaus op deze pagina een ontmoeting met de Warau- of Warao-indianen in de Orinocodelta van Venezuela. Deze indianen - naar schatting ongeveer achttien duizend - leven van visvangst, jacht en het maken van handwerkproducten en houtsnijwerk; ze wonen zeer geïsoleerd in mangrovebossen in paalwoningen boven het water en ze verplaatsen zich per kano (hun naam betekent in de eigen taal “bootmensen'). Een cultuur die verder afstaat van de Nederlandse is bijna niet denkbaar. Maar schijn bedriegt: in het Warao, de taal van deze Indianen, worden ten minste drie Nederlandse leenwoorden gebruikt, namelijk taraha “trap', sidiotore of sidatoro “sleutel' en tao “touw'. Hoe zit dat? Om die vraag te beantwoorden moeten we ver terug in de tijd.

In 1627 stichtten de Nederlanders een kolonie aan de rivier de Berbice in het huidige Guyana. In 1667 veroverden ze het ten oosten van Guyana gelegen Suriname op de Engelsen. De Nederlandse overheersing van Berbice duurde tot 1803, toen de Britten het gebied op Nederland veroverden. In 1814 werd het officieel aan de Britten afgestaan. In Guyana en Suriname woonde een aantal Indianenvolken, waarvan de Karaïben het grootste en sterkste waren, verder de Arowakken en nog enige kleinere groepen. In de zeventiende eeuw werden negerslaven aangevoerd naar beide gebieden. Door het taalcontact tussen de uit Afrika aangevoerde negerslaven, de oorspronkelijke Indianenbevolking en de Europese nieuwkomers ontstonden er in de zeventiende eeuw creooltalen. Creooltalen zijn omgangstalen tussen mensen met verschillende moedertalen; de talen hebben een eigen, eenvoudige grammaticale structuur. De creooltaal die in Suriname ontstond, heet Sranantongo. Deze taal werd al gevormd in de tijd van de Engelse overheersing, dus voordat de Nederlanders in 1667 het regime overnamen. De woordenschat van het Sranantongo is dan ook gebaseerd op het Engels. Na de verovering door de Nederlanders zijn er veel Nederlandse leenwoorden door het Sranantongo overgenomen. Sranantongo is momenteel de algemene omgangstaal in Suriname.

In Guyana ontstonden twee creooltalen waarvan de woordenschat was gebaseerd op het Nederlands, namelijk het Berbice Nederlands en het Skepi Nederlands. De bloeiperiode van het Berbice Nederlands lag tussen 1730 en 1830, toen de slavernij werd afgeschaft. De taal wordt momenteel nog gesproken door hoogstens drie stokoude mensen. Skepi Nederlands werd in de zeventiende en achttiende eeuw gesproken in de landstreek Essequibo. Over het Skepi Nederlands is niet veel bekend, maar van het Berbice Nederlands is net voor het uitstierf beschreven.

Met andere woorden: weliswaar is er in Venezuela, waar de Warao-Indianen momenteel wonen, nooit Nederlands gesproken, maar in aangrenzende gebieden waren er eeuwenlang Nederlandse creooltalen te horen. De Nederlandse leenwoorden die de Warao-Indianen kennen, komen ook voor in het Berbice Nederlands (trap(u), slotro/slutro en tau), en als Nederlandse leenwoorden in het Sranantongo (trapu, sroto “sleutel' en t'tei, titei “touw').

En nu wordt de puzzel duidelijker: toen de Nederlanders naar het noorden van Zuid-Amerika trokken, namen zij onbekende gebruiksvoorwerpen mee, zoals een trap, een sleutel en touw. De Nederlandse creooltalen en het Sranantongo namen de benamingen voor deze onbekende voorwerpen over, en de Nederlandse handelszucht zal ervoor gezorgd hebben dat de voorwerpen, met hun naam, in handen kwamen van volkeren waarmee de Nederlanders contact hadden, zoals de Warao-Indianen.

En zo ontdekken wij tot onze verrassing in het Warao, ver van wat wij de beschaafde wereld noemen, Nederlandse namen voor alledaagse voorwerpen!