‘Hier bij dit lieve kerkje wil ik later liggen’

Het Sociaal en Cultureel Planbureau stelde onlangs vast dat mensen op het platteland gelukkiger zijn. Je woont er ruimer en het is er veilig. Sommige stedelingen hakken de knoop door en verhuizen.

Igor en Bianca Spierts (beiden 36) woonden veertien jaar in Wageningen, maar verruilden dat voor Rhenen. Dit voorjaar verhuizen ze met hun dochtertje naar Friesland. “We gaan in positieve zin tien jaar terug in de tijd.“ Foto Evelyne Jacq

Voor het eerst van haar leven is ze lid geworden van een begrafenisvereniging. Liesbeth Sloots (53) woont ruim twee jaar in het Friese dorp Hitzum (gemeente Franekeradeel) en wil nooit meer terug naar haar geboortestad Den Haag: “Hier bij dat lieve
kerkje wil ik ooit wel liggen“, grapt ze.

Het was geen kwestie van weg willen, maar ergens naar toe willen, legt ze uit. Ze zit aan tafel in haar knusse woonkamer met uitzicht op de riant bemeten tuin met daaromheen een oude meidoornhaag. Dertig jaar woonde de geboren en getogen burgemeestersdochterin hartje Den Haag, bij station Hollands Spoor. Ze had geen hekel aan de stad, maar lange tijd sluimerde de wens om de hectiek van de grote stad te verruilen voor de ruimte en rust van het platteland. “Het is hier minder gehaast, het tempo ligt lager. In de stad worden indrukken en trends meer aan je opgedrongen. De vele mensen, de vele gebouwen, ik was eraan gewend, maar ik vond het genoeg. Je komt hier beter tot je recht.“

Ze koos voor Friesland. “Het Friese platteland is niet zo afgelegen als het Groningse. Aan de horizon zie je hier altijd wel kerkjes of dorpjes.“ Ze woont in Hitzum, net buiten de bebouwde kom, maar toch in de nabijheid van een dorp. Het dorp heeft geen winkels, maar Franeker ligt op tien minuten fietsen.

Heimwee heeft ze nog geen minuut gehad. “Na drie weken was ik gewend.“ Ze kan na een cursus de Friese taal lezen en verstaan, sloot zich behalve bij de plaatselijke begrafenisvereniging ook aan bij de Hitzumer vrouwenbiljartclub en de trekzakclub. De dorpelingen zijn actief. “De schouders gaan eronder. Zonder sponsoren of zware subsidies komt spontaan iets tot stand. Mensen weten: als wij niets doen, dan gebeurt er ook niks.“

Haar woning, die uit drie arbeidershuisjes onder één dak bestaat, is “haar plekje“. Twee van de drie liet ze verbouwen en verhuurt ze als “Bed en Brochje’ (logies met ontbijt) aan passanten en toeristen. Op de twee hectare land wil ze fruitbomen planten en mogelijk een kampeerplaats inrichten. Nooit wil ze meer weg uit Hitzum. “In het middelste huis is alles begane grond. Dus als ik oud ben kan ik daar gaan wonen.“

Igor Spierts (36) is geboren Limburger, zijn vrouw Bianca (36) Friezin. Beiden studeerden in Wageningen, maar verhuisden vier jaar geleden naar Rhenen. Het “kneuterige“ van een kleinere woonplaats trok. “Vooral de sociale betrokkenheid. Iedereen groet elkaar.“ Dit voorjaar verkassen ze naar het Friese platteland en daarmee komt voor beiden een “ultieme droom“ uit. “We willen oud worden op een klein boerderijtje met wat vee en een paar hectare grond“, vertelt Spierts, die parttime universitair docent is aan de Landbouw Universiteit Wageningen, maar straks bedrijfsleider wordt op een palingkwekerij. “In Friesland is dat nog betaalbaar. Hier in Rhenen is een starterswoning dat nauwelijks.“ Steden vinden beiden “beklemmend“. “Iedereen wordt er geleefd, wil meedoen met de laatste mode, het consumeren, de hectiek.“

Spierts is graag buiten, was als kind al gek op dieren en de natuur. De bioloog reisde de “halve wereld“ rond, maar zoekt nu de rust van het platteland. Als hij bij Joure het bord “Kans op file’ ziet staan, moet hij breed glimlachen. “Prachtig. Ik heb het idee dat ik door naar Friesland te verhuizen in positieve zin tien jaar terug in de tijd ga.“ Hij merkt dat veel stedelingen bang zijn voor het platteland. “Ze willen geamuseerd worden, zoeken vertier in de stad.“ Spierts heeft dat niet nodig. En de nadelen van het platteland? Geen of weinig winkels, scholen, openbaar vervoer. Geen probleem. “Met de auto ben je binnen tien minuten in Joure. En mijn dochter kan tegen die tijd best naar school fietsen.“

Otto en Leonie Oskam kochten een kavel in de Blauwe Stad, in het Oost-Groningse Oldambt, waar behalve nieuwe natuur en 1.500 dure koopwoningen ook een 800 hectare groot meer wordt gegraven. Eind dit jaar hopen ze er te wonen en werken. Oskam zit in de arbeidsbemiddeling, zijn vrouw wil een spiritueel centrum openen. Hun droomplek vonden ze op een schiereilandje, waar nu nog een oude boerderij staat. Die wordt gesloopt en maakt plaats voor een woon-werkpand. ,,We zijn straks omringd door natuurbos, weilanden en water. De eerstvolgende buren wonen een halve kilometer verderop.“

Enkele maanden geleden verruilden ze de stad Groningen voor het Groningse dorp Heiligerlee. Eind dit jaar verhuizen ze definitief met hun drie kinderen van acht, vijf en drie jaar, naar hun nieuwe huis. Otto Oskam groeide op in Leek, zijn vrouw in Roden. Ze studeerden in de stad Groningen. Maar het platteland uit hun jeugd bleef trekken. Leonie Oskam had moeite met de hectiek en gejaagdheid van de drukke stad. ,,Ik heb veel meer energie nu ik in een dorp woon. Na een uurtje winkelen in
Groningen was ik vaak doodmoe door al die indrukken en mensen.“

De voordelen van de stad (“een borrel pakken op zaterdagmiddag“) wegen voor Otto Oskam niet op tegen die van het dorpsleven. “Ik vind de stad oergezellig, maar ben ook een natuurmens. Het leven is hier minder hectisch. De mensen hebben nog tijd voor een praatje. Je leeft hier minder langs elkaar heen.“ Leonie: “De ego’s zijn wat kleiner in een dorp. Doe maar gewoon. Die nuchterheid spreekt mij aan.“ Otto: “In de stad kijkt men meer naar elkaar. Het merk auto op de oprit en hoeveel er
staan zijn belangrijk.“

En het nadeel van weinig voorzieningen? Otto: “We zitten in 20 minuten in Winschoten. Nu doen we onze boodschappen ook al één keer per week.“ Scholen voor de kinderen ver weg? Ze zien geen bezwaar. Leonie: “Ik rijd elke dag graag een kwartier om ze te halen en brengen.“ Haar man: “Als de kinderen straks een zwemdiploma hebben, kunnen ze hun gang gaan. Van de week zagen we onze oudste ineens op een pony van de buurkinderen zitten. Mijn vrouw en ik keken elkaar aan en zeiden: “Hier doen we het
voor.“