Het wordt een burgeroorlog

Mohammed had al veel onthoofdingen gezien op internetfilmpjes die hij voor de Amerikanen moest vertalen. Maar november 2004 belandt hij zelf in een nachtmerrie. Het Iraakse verzet heeft een barricade opgeworpen aan de rand van Mosul. Mohammed wordt uit een taxibusje gehaald. Ze brengen hem naar een complex vol bebaarde mannen in een buitenwijk. Hij krijgt een blinddoek om. Urenlang schreeuwen ze dat ze hem gaan onthoofden. Mohammed smeekt om zijn leven, bezweert dat hij al lang gestopt is als tolk voor het Amerikaanse leger, dat hij bij de imam zelfs om vergeving heeft gevraagd voor zijn collaboratie. Er wordt iemand naar de moskee gestuurd om zijn verhaal te controleren, maar daar wordt gevochten. De man komt terug zonder bevestiging.

Mohammed voelt de kilte van het zwaard tegen zijn keel. “Ik had afscheid van het leven genomen“, zegt hij. Maar onverwacht snijden ze zijn blinddoek door en laten hem gaan. “Ik had geluk. In de hectiek van de gevechten lieten ze me gaan“, zegt Mohammed: “Ik ben naar mijn ouders gegaan en heb niets verteld. Ik kon het niet vertellen. Het was zo onwerkelijk. Een paar dagen later ben ik gevlucht.“

Nu zit Mohammed in een asielzoekerscentrum bij Veldhoven. Een keurige jonge man van begin twintig. Hij vertelt in vloeiend Engels, casual en laconiek, over alledaags geweld, nachtelijke razzia's, onderduiken en vermoorde vrienden. Mohammed is een van de duizenden Irakezen die de afgelopen jaren naar Nederland zijn gekomen. Het aantal vluchtelingen uit Irak is veel minder gedaald dan die uit andere asiellanden. In de rest van Europa is het niet anders: sinds de val van Saddam staat Irak, ironisch genoeg, bovenaan het lijstje met landen waar de meeste asielzoeker vandaan komen. Veel van de asielzoekers worden bedreigd, omdat ze hebben gewerkt voor de Amerikanen of voor de nieuwe Irakese regering.

Niet alleen politieagenten, soldaten en tolken lopen gevaar. Iedereen die ook maar iets van doen heeft met de bezettingsmacht en de nieuwe democratische regering is een doelwit voor het gewapend verzet. Nawzad Al Hassan was supervisor in de keuken van een legerplaats bij het dorpje Kassik. In de kazerne werden Iraakse rekruten opgeleid. Op een middag in augustus 2004 hoorde de 34-jarige kok vanuit de eetzaal een geweldige knal. “Alle ruiten sprongen. In de eetzaal waren drie gewonden door rondvliegend glas“, vertelt hij. Een auto met explosieven had geprobeerd het terrein op te rijden maar was uiteindelijk bij de slagboom ontploft. Een van de 36 doden was Nawzads jongere broer.

Na de aanslag wordt de kok overgeplaatst naar de kazerne Taji, bij Bagdad. “Ik woonde niet meer bij mijn gezin en veranderde regelmatig van adres. Maar de terroristen vinden je toch.“ Nawzads naam staat al snel op de dodenlijsten die op de deur van sommige moskeeën hangen. Het verzet lijkt veel over hem te weten. Nawzad ontvangt zelfs anonieme dreigtelefoontjes op zijn privé-mobieltje. “Ik wist van collega's dat ze terrorist waren en mogelijk informatie doorspeelden. Dat merk je aan hoe ze praten over de Mujahedeen. Maar bewijzen kon ik het niet.“

Als de chauffeur die Nawzad elke dag naar zijn werk brengt, op een dag niet meer komt opdagen is voor Nawzad de maat vol. De chauffeur blijkt met busje en al te zijn gegijzeld en opgeblazen. Ook Nawzad vlucht naar Nederland.

Mohammed is er nog niet over uit hoe het zo gruwelijk fout kon gaan met de bezetting. Het begon allemaal zo hoopvol. De jonge student Engels in Mosul meldde zich enthousiast als tolk bij de elitetroepen die in april 2002 zijn stad innamen. “We waren allemaal blij. Eindelijk kon je openlijk praten, op straat of in het koffiehuis.“ Hij begeleidde de Amerikanen op patrouilles door Mosul, toen nog gewoon te voet. Maar na een half jaar zag hij de sfeer verslechteren. Het geld voor de wederopbouw bleef steken in corruptie. De grenzen met Syrië werden niet bewaakt. Terroristen konden zo het land in.

In april 2003 gaat hij met zijn eenheid naar Fallujah. Hij maakt er zijn eerste raketaanval mee, er valt een eerste dode bij zijn eenheid. Mohammed wordt in Fallujah op straat voor verrader uitgescholden. “Het waren toen nog vooral aanhangers van Saddam. Ik had mijn keuze gemaakt, ik beschouwde ze als de vijand.“ Terug in Mosul blijkt ook daar het verzet gegroeid. Vrienden spreken hem aan op zijn werk als tolk. De meeste operaties zijn nu 's nachts: razzia's op zoek naar vermeende terroristen en wapens. “De Amerikanen omsingelen een verdacht huis en vallen dat met grof geweld binnen. Meestal werd er niets gevonden. Toch werden de mannen meestal gearresteerd en slecht behandeld“, vertelt Mohammed: “Dat zet kwaad bloed. Een keer stond ik oog en oog met een vriend. Die vroeg me waarom ik hem had aangegeven. Pijnlijk.“ Zijn overste zegt dat hij voortaan ook maar een bivakmuts moet dragen.

Vanwege de veiligheid verhuizen Mohammed en zijn ouders naar een ander deel van de stad, waar ze anoniem zijn. “De Amerikanen konden ons niet beschermen. Ze kunnen niet voor elk huis van een tolk een wachthuisje plaatsen. Ze kunnen zichzelf niet eens beschermen“.

Op de markt waar Mohammed zijn groenten haalt, liggen de zware wapens gewoon te koop tussen de andere spullen. “Als ik boodschappen deed, was ik altijd bang dat ze me zouden herkennen als tolk. Maar als mijn eenheid daar een overval deed, vonden we nooit wat. Ze kunnen dat wapentuig zo snel verbergen.“

In 2004 wordt het geweld gewoon. Mijnen langs de weg, aanslagen op collega's. Tijdens de slag om Fallujah in het najaar van 2004 raakt Mohammed twee keer gewond. En bij de terugreis naar Mosul verliest hij bijna het leven. Hij laat de e-mail zien die hij na de schijnexecutie naar zijn overste stuurt, en het antwoord: “Sterkte. We kunnen helaas niets voor je doen.“

Over de toekomst is de jonge tolk somber. Als de Amerikanen weggaan, breekt er een burgeroorlog uit. “De opstandelingen hebben een oude mentaliteit, daar doe je niets aan. Saddam wist ze in het gareel te houden, dat was het enige goede aan hem.“ Dat vindt Nawzad ook. Hij behoort tot de Jazidi, een Iraakse minderheid van 700.000 aanhangers van een 4000 jaar oude godsdienst. Onder Saddam hadden de Jazidi net zo weinig vrijheid als de andere groepen. “Saddam onderdrukte iedereen. Wij werden dus niet gediscrimineerd“. Maar sinds de operatie Iraqi Freedom is de positie van de Jazidi en andere minderheden verslechterd. “Moslims beschouwen ons als ongelovigen“, vertelt de kok. “Tijdens het bewind van Paul Bremer probeerden de Jazidi nog een zetel te krijgen in de eerste overgangsregering. Maar tegen onze delegatie werd gezegd dat ze eerst maar eens een godsdienst moesten kiezen - ons geloof wordt door moslims niet serieus genomen. Het kantoor van onze politieke partij is opgeblazen, er zijn mensen vermoord.“

Het somberst is Abdulrahman Moussa. Hoofdschuddend kijkt de 45-jarige journalist naar bomaanslagen op CNN. Hij bewoont een kamertje in een tot asielzoekerscentrum omgebouwde studentenflat in Leiden. Moussa heeft het niet zo op Amerikanen, zegt hij. Zij zitten nog altijd in Irak, terwijl hij moest vluchten.

Moussa was voor de bevrijding, maar hij is tegen de bezetting. “De Amerikanen dienen alleen hun eigen belang. Saddam en de Baath-partij zijn aan de macht geholpen door de Amerikanen. Zij steunden Saddam ook tijdens de lange oorlog tegen Iran. En na de eerste Golf-oorlog, toen in verschillende steden in Irak een intifada begon tegen Saddam, liet Bush senior ons in de steek“, doceert hij. “Hij noemde het een interne aangelegenheid van Irak. Zo hielden de Amerikanen Saddam in het zadel. En nu moest hij weg omdat hij te lastig werd.“

Maar na de val van Saddam kan Moussa wel schrijven wat hij wil. Hij schrijft in een cultureel blad over de geschiedenis van Irak, over de zegeningen van het meerpartijenstelsel, over mensenrechten. Hij kan zelfs schrijven dat hij vindt dat de Amerikanen hun troepen moeten terugtrekken. En dat het een schande is dat een islamitisch land als Irak bezet wordt door een vreemde mogendheid. “De Amerikanen hebben wel kranten van terroristen gesloten, maar wij hebben nooit problemen gehad“, geeft Moussa toe: “Wij zijn voor geweldloos verzet.“

Maar de terroristen laten zijn krant niet ongemoeid. De hoofdredacteur en een andere collega worden opgeblazen, een fotograaf wordt ontvoerd en doodgemarteld. “De terroristen zijn tegen alle kranten die zijn opgericht na de val van Saddam, wat ze ook schrijven“, zegt Moussa: “Ze zijn tegen een vrije pers“. De journalist is ervan overtuigd dat het geweld minder zal worden zodra de Amerikanen hun troepen terugtrekken. “Maar het gevaar voor een burgeroorlog blijft bestaan, of de Amerikanen nu blijven of niet. We hebben weer een sterk Iraaks leger nodig om de rust echt terug te brengen. “

Toch lijkt hij er niet meer in te geloven. Als alle nieuwe Irakezen in Nederland heeft Moussa een tijdelijke verblijfsvergunning van een jaar gekregen. Na een jaar wordt opnieuw bekeken of het in Irak veilig genoeg is om mensen terug te sturen. Maar Moussa heeft al een woordenboek Nederlands-Arabisch gekocht en zich bij het stadhuis van Leiden aangemeld voor een inburgeringscursus. “Nederland bevalt me heel goed“, zegt hij lachend. “Ik zie hier meer toekomst dan in Irak.“