Het Intelligent Design van Joost van den Vondel

In de serie over mensen die hem inspireren schrijft Willem Jan Otten deze maand over Joost van den Vondel, die zijn leven lang geobsedeerd was door 'Intelligent Design'.

Iemand vroeg me of ik nog van plan was in deze kolommen ooit een gewone atheïst toe te laten. Het was hem, na zes afleveringen, opgevallen dat een Held van mijn Geest steevast iemand is die op zijn minst gelooft dat hij moet geloven.

En het is waar. Een gewone atheïst kan heus een geniaal schrijver zijn, of een aanstekelijke poëzie-bloemlezer, of een scherpzinnig filosoof, maar een Held? Daarvoor heeft hij, geloof ik, als het er op aan komt, te veel gelijk. En wat nog saaier is: hij krijgt het, dag in dag uit, van de krant, van de wetenschap, van ingezonden-brievenschrijvers. Waar de atheïst ook maar kijkt, zijn wereldbeeld wordt bevestigd. Het is, om met componist Maurizio Kagel te spreken, 'penetrant evident'. Een echte, verklaarde atheïst betreedt met zijn raket als eerste mens de ruimte en zegt: God is nergens te zien.

Een Held moet hier van geeuwen, want hij wist dat al lang. Het is zelfs zijn kwestie. Datgene waar het om draait, of beter: degene om Wie het draait, is onzichtbaar, onbevattelijk, onbewijsbaar. Een Held vindt het, eerlijk gezegd, een beetje bespottelijk om de ruimte te betreden, of het DNA te ontrafelen, of opgravingen op Golgotha te verrichten teneinde uit te kunnen roepen: waar wij ook kijken, nergens een god. Wie zo zoekt vindt wat zijn hartje begeert, namelijk niks.

Vernuftig plan

Neem Vondel. Zijn leven lang is hij geobsedeerd geweest door de moeder van alle onbewijsbare ideeën, te weten dat wat wij, in ons potjes-engels, 'Intelligent Design' zijn gaan noemen. Er ligt aan ons bestaan een vernuftig plan ten grondslag. Het laat Vondel onverschillig of dat Plan waar is op de wijze waarop het, niet eens zo lang voor zijn geboorte in 1587, waar was geworden dat de aarde om de zon draaide. Natuurlijk neemt hij Genesis niet letterlijk - hij maakt er juist toneel van, en weergaloze poëzie. Als je tijdens het lezen van passages uit Altaergeheimenissen of reien uit zijn drama Adam in Ballingschap uit het raam kijkt, is je blik even de zon waardoor alles glanst. Ten grondslag aan dit effect ligt zijn overtuiging dat de schepping ook werkelijk doorschenen is, een glas-in-loodraam waardoor het Licht een menselijke ervaring kan worden.

Intussen was hij geheel en al op de hoogte van de Copernicaanse ommekeer; hij wist heel goed dat geen enkel VOC-schip de Oost gehaald zou hebben op basis van bijbelkennis alleen. Toch valt Vondel in alle stadia van zijn leven steeds terug op het Scheppingsverhaal. Nogmaals: dat het onbewijsbaar is, is niet Vondels kwestie, - maar dat je het moet verbeelden om het waar te laten zijn. Als je doordenkt en je inbeeldt hoe en waarom Eva en daarna Adam in opstand zijn gekomen tegen de Wet, zul je de beste (en enige) verklaring vinden voor het allerbelangrijkste feit van het universum: dat mensen beschikken over vrije wil.

Er is, in een universum van Oorzaak en Gevolg, niets zo intrigerend als dat u besloten hebt dit stukje te lezen, helemaal tot hier.

Kersverse calvinisten

Niet iedereen vindt de vrije wil zo'n wonder.

In Vondels tijd werd het publieke debat gedomineerd door de kersverse calvinisten, die absoluut niet van plan waren paf te staan van het denkbeeld dat de mensen door de goddelijke almacht vrij zijn gelaten. Ook zij hingen een Design aan, maar dan één waarin iedere fout of overtreding van de mensen voorzien en gewild was door de Schepper. Of wij rechtvaardigen waren, dan wel verdoemden, dat was al beschoren.

Welbeschouwd is het volkomen onverklaarbaar waarom de ene mens, als hij de vaak moeilijke beslissingen van zijn leven overziet, tegen zich zelf zegt: hoe moeilijk het ook was, toch was ik vrij, terwijl de andere zich zichzelf herinnert als onvrij, slachtoffer, speelbal van machten. Vondel behoorde tot de eerste groep; uit zijn werk, vooral uit zijn toneelstukken, blijkt dat het schijnbaar zo abstracte concept van de vrije wil voor hem een concrete ervaring was. Een tragische ervaring, overigens. Want hij geloofde dat de schepping goed en juist was, terwijl hij wist dat de mensen het kwade en onjuiste willen. Vreemder nog: soms willen ze het kwade omdat het goede denkbaar is.

Weifelmoedige beslisser

Het kwam niet in Vondel op om zichzelf van deze situatie uit te zonderen. Waar hij Adam, of Lucifer, of de Zeer Weifelmoedige Beslisser David dramatiseert, onderzoekt hij overduidelijk zijn eigen hart. Hij plooit het drama systematisch zó dat de Willer verschrikkelijk goed beseft dat er nog iets anders is wat hij kan willen. Lucifer krijgt tot de laatste seconde voor hij tot de oorlog tegen God overgaat het genade-aanbod: als hij ophoudt met haten, zal hij vergeven worden en het Geliefde Eerste Schepsel in de Hemel blijven. Hoe hij toch de stap de zelfvernietiging in zet, dat is in mijn ogen een van de magistraalste ogenblikken van onze literatuur. Een tragedie bestaat, als het erop aan komt, bij de gratie van zo'n flits van fataal bewustzijn, zo'n hogeduikplank-tijdsspanne, 'indien men 't tijd mag noemen/ Dees kortheid, tussen heil en eindeloos verdoemen'.

Op zulke momenten is Vondel de oudere, deftiger broer van Dostojevski, wiens personages juist op het moment dat zij vergeven of liefgehad worden in een zelfvernietigende opstand kunnen raken. Het is eeuwig zonde dat sommigen van mijn Helden elkaar niet hebben kunnen lezen - niet alleen is het onverteerbaar dat Vondel eerder leefde dan Dostojevski of Girard of Milosz, en zich alleen al om die stupide reden niet met hun denkwerelden heeft mogen voeden. Nog moeilijker is het te verhapstukken dat Dostojevski en Girard en Milosz de gestalten van Lucifer of Jephta niet hebben gekend, en zich dus nooit hebben afgevraagd: zou Vondel mij begrepen hebben? Want dat denk ik van mijn Helden: ze hebben voor elkaar begrijpelijk willen zijn, ze zijn, als het er op aan komt, verwikkeld in een en hetzelfde project - maar welk? Als ik het project 'christelijk' noem, wat heb ik daarmee gezegd? Is het daar doorgrondelijk mee geworden? Zelfs als ze elkaar niet gekend kunnen hebben, is het alsof ze elkaars zinnen kunnen afmaken, elkaars verhaallijnen doordenken.

De crisis waarin Vondel zijn hoofdpersonen in zijn laatste stukken - allemaal op zeer hoge ouderdom geschreven, tot diep in zijn negentigste decennium - dompelt is steevast een offercrisis, steevast van een vader. Apollo (in Faëton) staat voor de keuze zijn zoon te doden om de wereld te redden; Jephta vindt dat hij zijn dochter moet doden, omdat hij God beloofd heeft het eerste wat hij na de overwinning uit de stad ziet komen te offeren; David (in David Hersteld) staat voor de beslissing om zijn opstandige zoon te doden. Het zijn allemaal tragische opstellingen, die we ook uit Griekse drama's kennen. Maar het uitzonderlijke aan Vondel is de intense inleving in degene die offert. Niet altijd is het te plengen offer een juist offer (zoals in Jephta), en altijd is het, net als voor Abraham, menselijkerwijs onmogelijk. Wat voor vader ben je als je, als David, in oorlog moet zijn met je zoon en hem moet laten doden...

Ouderlijke hartepijn

In een belangwekkend, en tot naarstig herlezen aanzettend boek over de tragedie-opvatting van Vondel vestigt Jan Konst de aandacht op de biografische bijzonderheid dat Vondel op zijn oude dag met een zoon Joost te stellen had die al fraudulerend failliet is gegaan, en die naar Oost-Indië verbannen moest worden. En het is waar - je voelt in de late tragedies de ouderlijke hartepijn van de loslating. Er is geen Nederlandse schrijver zo tastbaar, zo zintuigelijk in het herscheppen in taal van verdriet - denk aan het gedichtje dat Vondel voor zijn gestorven kindje Constantijntje heeft geschreven.

Maar daarmee is de overweldigende, welsprekende inleving van Vondel in het personage dat een mensenleven moet offeren, niet afdoende verklaard. Dat iets belangrijker is dan het leven, en dat mensen daar in vrijheid voor kunnen kiezen, en dat onze cultuur (voorzover zij haar grondslag vindt in christendom) gedomineerd wordt, of is geweest, door de gestalte van iemand die zich zelf als een zondebok heeft laten offeren - dat is voor Vondel hoe dan ook het enige geweest wat hij heeft proberen te bevatten. Niet alleen met zijn immense verstand, maar vooral met zijn ongebreidelde, gulzige verbeelding.

Als het er op aan komt hebben ze elkaar wél gekend, mijn Helden, hoeveel eeuwen en kilometers hen ook scheiden. In het mooiste essay over Vondel sinds minstens de oorlog, Geschilderd eten (1987), stelt Frans Kellendonk dat er in de moderne tijd 'over het aanstootgevende lijden, het schandaal van het kruis, een grote pleister is geplakt'. Wat je ook over Vondel beweert: hij speelt met het offer geen mooi weer. En telkens verschijnen er, steeds opnieuw, schrijvers en denkers die de pleister losrukken. Ze hoeven elkaar niet gekend te hebben om te weten dat ze alles met elkaar te maken hebben.

Er is geen editie van Vondels volledige werken verkrijgbaar, anders dan in de ramsj. Zelf bezit ik de schitterende tiendelige uitgave uit 1930 van de Maatschappij ter bevordering van het goede en goedkoope boek. Het tragedie-boek van Jan Konst heet: Fortuna, Fatum en Providentia Dei (Hilversum, 2003). Het essay van Kellendonk staat in zijn Verzameld Werk (Amsterdam,1992).

De vorige helden in de serie van Willem Jan Otten waren: Blaise Pascal, Jorge Luis Borges, René Girard, Fjodor Dostojevski, Robert Bresson en Czeslaw Milosz.