Een onafhankelijke banenvreter

Alleskunner, duivelskunstenaar, rasbestuurder, superpragmaticus, workaholic, hardhandig en cynisch debater, als het moest. De gisteren op de leeftijd van 79 jaar overleden oud-staatssecretaris (Volksgezondheid) Joop van der Reijden lachte meestal maar wat als hij zulke kwalificaties over zichzelf las of hoorde.

Hem ging het er immers om een doelstelling te halen, een enorm bedrag aan bezuinigingen (vooral op de ziekenhuizen) bijvoorbeeld, ten tijde van zijn staatssecretariaat onder het eerste kabinet-Lubbers (1982-1986). Of, najaar 1989, als halsoverkop aangetreden voorzitter van de financieel vastgelopen eredivisieclub Feyenoord, zo snel mogelijk oplossingen te vinden. Bijvoorbeeld door het, zoals hij het later noemde, “pittige vraagstuk tussen de netto- en brutocontracten“ van de spelers weg te werken. Dat deed hij in gesprek met beroemde, in Rotterdam -Zuid aanbeden spelers zonodig met de mededeling: “Het spijt me, maar voor jouw gelijk ontbreekt het ons aan financiële ruimte.“

De in Leiden geboren Johannes Piet van der Reijden was zoon van ouders die de crisisjaren als kleine zelfstandigen moesten doorkomen. Het hele gezin moest hard werken, vader bracht het van fabrieksarbeider tot zelfstandig wasserijexploitant. Zoon Joop sprak nog vaak met goed bewaarde afschuw over de enorme partijen lakens die hij in zijn jeugd na schooltijd had moeten helpen vouwen - “verschrikkelijk geestdodend werk“.

Aan een enkele bezigheid had hij tijdens zijn studie economie in Rotterdam al niet genoeg. Want hij was ook trainer, en op zijn 24ste ook voorzitter, van een Leidse zwem- en waterpoloclub, waar hij zijn vrouw - een prominent zwemster - leerde kennen. Tussen het kleine protestants-christelijke milieu van thuis en de destijds vaak nog tamelijk kakineuze studentengemeenschap werd Van der Reijden zijn eigen man.

De man die velen nog zou verbazen door het gemak waarmee hij pragmatisch van de ene naar de andere baan of taak slalomde. Zoals van een staatssecretariaat, dat hem als lid van de CHU, een hervormde bloedgroep binnen het CDA, toeviel, naar het voorzitterschap van de NOS (1988), van daar naar het voorzitterschap van Feyenoord (1989) en vervolgens (1990) naar het voorzitterschap van Veronica, wat sommigen ertoe bracht hem als “pornobaas“ te betitelen. Die verwees hij naar de “uitknop“ op hun tv-toestel: “Ik kijk dan zelf ook naar iets anders, want ik behoor ook niet tot die doelgroep.“ Voorzitter van het Verbond van de Nederlandse groothandel, voorzitter van het Zilveren Kruis, bewindvoerder van de Islamitische Omroep Stichting (1992), voorzitter van NOC/NSF (1998-'99). Het is maar een greep uit de enorm lange reeks bezigheden waarmee Van der Reijden zijn zeer werkzame leven vulde.

Vele jaren na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, die hij werkenderwijs passeerde, liet hij zich als bestuurlijke veteraan nog overhalen om interim-burgemeester van het Zuid-Hollandse Valkenburg te worden. Daar gaf hij leiding aan het verzet tegen de sluiting van het gelijknamige marinevliegveld. Die ging toch door, na vele vertragende en soms met kennelijk plezier uitgevoerde verrassingsacties van de interim-burgemeester, die wél bereikte dat het nabije Leiden op dat terrein straks minder woningen mag bouwen dan gepland was.

Landelijke bekendheid kreeg Van der Reijden vooral als staatssecretaris, een functie waaraan hij op zijn 55ste als betrekkelijke vreemdeling in de Haagse politiek begon. Hij was weliswaar wethouder in Oegstgeest geweest, maar weinig vertrouwd met de heel andere zeden en gewoonten aan het Binnenhof. Echt vertrouwd met het Binnenhofse metier raakte hij niet, misschien wilde hij dat ook niet zo. Kamerleden moesten er ook niet vreemd van opkijken wanneer hij bij het voorlezen van taaie ambtelijke stukken soms hardop de wens uitsprak dat de parlementariërs daarvan wat meer zouden begrijpen dan hij zelf deed.

Zelf bloeide hij als spreker, gaf hij graag toe, pas op in de tweede, meer vrije en dus meer improviserende termijn van de debatten. En dan wist hij ook politieke tegenstanders vaak te frapperen met zijn in de bestuurlijke praktijk opgebouwde feitenkennis en gevoel voor procesbeheersing. En natuurlijk ook met het ongewone vertoon van politieke onafhankelijkheid dat hij af en toe liet zien. Zo speelde hij het kalmpjes klaar om de VVD-fractie in de Tweede Kamer uitdrukkelijk te prijzen voor haar bijdrage aan het debat en die vergelijkenderwijs beter te noemen dan de bijdrage van de geestverwante CDA-fractie. “Ja, dan mocht ik natuurlijk in de dagen erna rekenen op een boze brief van het CDA“, wist hij.