DICKSON NEEMT ZIJN LOT IN HANDEN

Afgelopen zomer gingen journalist Dick Wittenberg en fotograaf Jan Banning naar het dorp Dickson in Malawi om te beschrijven wat voortdurende armoede doet met zomaar een kleine gemeenschap in Afrika. Het hele dorp opende zijn deuren. Hun verslag in M van september riep veel reacties op bij lezers. Ze gaven ruim 10.000 euro. Eind vorig jaar gingen de twee terug naar Dickson. In elke hut staan nu zakken kunstmest en het dorp heeft een actiecomité opgericht.

Ze hebben haast, die mannen die langs de stoffige wegen snellen op zoek naar los werk. De honger zit hun op de hielen. Steeds schaarser wordt het werk, steeds groter het aanbod van gretige handen. De regentijd kan elk moment beginnen. Wie dan nog geen kunstmest heeft om de schrale grond te voeden, kan een overvloedige oogst bij voorbaat vergeten. Tabak planten hoeft hij niet eens te proberen. Misschien kan hij nog genoeg maïs oogsten om een paar maanden te eten. Als de regens hem genadig zijn. Als ze niet te zuinig of te overmatig vallen. Als ze niet te vroeg stoppen zoals vorig jaar.

Ze hebben haast, die vrouwen die zich daar staan op te winden in de volle zon. In de schaduw is het 36 graden. Het gerucht heeft zich verbreid dat er vandaag bij het semi-staatsbedrijf Admarc maïsmeel te koop is voor de gesubsidieerde prijs van 17 kwacha per kilo, de helft van het bedrag dat lokale handelaren vragen. Van heinde en verre, uit al die godvergeten dorpen die tussen het hoge gras liggen verborgen, zijn ze naar de handelspost Kasiya getrokken. Zij die zo bevoorrecht zijn dat ze nog wat smoezelige bankbiljetten in de naden van hun kleding hebben te verbergen. Als de poort van het bedrijf gesloten blijft, spoeden ze zich terug naar hun dorpen. Om die dag in elk geval nog één fatsoenlijke maaltijd van maïsbrij voor de familie te bereiden. In sommige huizen is al geen maïsmeel meer te vinden. Drie maanden duurt het nog tot de volgende oogst.

In de Afrikaanse staat Malawi heerst weer eens honger. Diepe, diepe armoede in combinatie met slecht weer en slecht beleid hebben geleid tot de grootste voedselcrisis in veertien jaar. Van de 11,2 miljoen inwoners zijn er 4,9 miljoen afhankelijk van voedselhulp. Op papier is de hulpverlening in volle gang en hoeft niemand van honger te sterven. Maar in de dorpen ruim zeventig kilometer ten noordwesten van de hoofdstad Lilongwe heeft nog niemand een hulpverlener gezien. In de huizen rijst langzaam paniek.

Die sfeer van dreiging heeft op het dorp Dickson geen vat. Hier heerst hoop. Het dorpshoofd, de melaatse oude man, de oude vrouw die graag danst, ze zeggen het allemaal. Sinds we vijf maanden geleden afscheid namen van dit dorp is er niemand overleden. 'Niemand.' Het dorpshoofd herhaalt het. Hij herhaalt het nog eens, omdat hij het zelf bijna niet geloven kan. Hij sleept me mee naar de bruinrode akkers rond het dorp. Alle grond is bewerkt. Nergens staat er onkruid, nergens ligt land braak, zoals in het aanpalende dorp. Daar hebben ze kennelijk geen vertrouwen meer in de vrucht van hun arbeid. Of ze hebben het te druk met eten zoeken in de wijde omgeving. Of het ontbreekt hun nu al aan kracht om met de hak en schoffel aan de slag te gaan.

In Dickson zijn de dorpelingen nog niet verzwakt. Tot nu toe hebben ze genoeg voedsel om elke dag opnieuw naar hun akkers te gaan. Ze voelen zich gesterkt door het vooruitzicht van een rijke oogst. Alle huishoudens in Dickson hebben kunstmest. Alle huishoudens, ook de armste. Dickson is waarschijnlijk het enige dorp in heel Malawi waar elke familie over kunstmest beschikt.

Dickson is Dickson niet meer. Dit is niet meer het dorp waar ik tweeëneenhalve week heb gewoond. Ik had juist Dickson uitgekozen om over alledaagse armoede te schrijven omdat het zo'n doorsnee-dorp was. Niet in oorlogsgebied gelegen. Niet door een natuurramp getroffen. Zomaar een dorp zoals er in Afrika zoveel bestaan. Niemand die zich erom bekommert. Volledig aangewezen op zichzelf.

In dit soort dorpen wonen de allerarmsten van de wereld, de 1,1 miljard mensen die moeten rondkomen van minder dan een dollar per dag. In een lemen huis dat onder hun vingers verkruimelt. Zonder golfplaten dak. Als ze al vee hebben zijn het geiten, kippen. Geen koe. Als ze al een vervoermiddel hebben, is het een fiets. Geen brommer, geen ossenkar. Van de 45 huishoudens in Dickson behoren er 36 tot die allerarmsten. Ze hebben geen enkel jaar voldoende voedsel. Als ze al kunstmest hebben, is het weinig, nooit genoeg voor alle grond, nooit genoeg voor zowel maïs als tabak.

Dickson is een atypisch dorp geworden. Bij mijn eerste verblijf had ik me zo voorgenomen niet in te grijpen in het leven van het dorp. Ik was waarnemer, boodschapper. Geen hulpverlener, geen barmhartige Samaritaan.

Drie keer was ik uit mijn rol gevallen. De eerste keer kon ik niet aanzien hoe een melaatse oude man lag te bibberen in de winterse kou. Hij had geen rieten slaapmat. Hij hulde zich in juten zakken. Ooit was hij de rijkste man geweest van het dorp. Minder gelukkigen had hij altijd geholpen. Lepra had hem tot de armste van het dorp gemaakt. Niemand van de dorpelingen die hem bijstond. Ze behandelden hem als een paria in zijn eigen dorp. Mijn Malawiaanse begeleider Chifumbi had hem zijn wikkeldoek geschonken. Ik had hem mijn deken gegeven. Chifumbi had er het dorpshoofd nog op aangesproken. 'Hoe kun je verwachten dat vreemdelingen hier komen helpen, als jullie elkaar niet eens helpen?' In de dagen daarna begonnen dorpelingen onwennig een praatje met de melaatse oude man te maken. Ze namen hem weer op in het dorp.

Mijn tweede ingreep in het leven van de dorpelingen was toen ik drie van hen in staat stelde naar de gezondheidspost te gaan. Ik heb hun doktersbezoek betaald. De laatste ingreep was de meest onschuldige. Aan het eind van mijn verblijf gaf ik elk huishouden genoeg geld om een zak maïs van 50 kilo te kopen. Een gebaar van erkentelijkheid omdat het dorp me gastvrijheid had verleend en elke familie haar huis voor mij had opengesteld.

Dat was allemaal kruimelwerk, vergeleken met de weelde van maïsmeel en kunstmest die inmiddels over Dickson is neergedaald. Gekocht met geld van lezers. Met gulle hand gegeven als reactie op het verhaal over Dickson dat in september in het maandblad M verscheen.

'Ik hoop dat het dorp er uiteindelijk beter van wordt.' Dat had ik tijdens mijn eerste verblijf steeds herhaald. Niet meer dan een vage belofte. Wat die frase kon inhouden, wist ik zelf niet goed. Ik had het wel eerder meegemaakt na het verschijnen van een verhaal dat een enkele lezer wilde helpen.

Op het verhaal over Dickson reageerden bijna 600 lezers: per post, telefonisch en per e-mail. Meer dan er ooit op een artikel in M hebben gereageerd. Veel lezers toonden zich diep geraakt. Ze schreven dat ze nooit eerder echt hadden geweten hoe naakte armoede aan de helft van de wereldbevolking vreet. Een enkeling zei haar baan op en ging oude mensen in arme landen helpen. Een grote groep bood financiële steun voor Dickson aan.

Begin december was er 10.601,50 euro overgemaakt naar de 'Vrienden van Dickson'. 'Vrienden van Dickson'' was niet meer dan een gelegenheidsconstructie. Daarachter gingen drie mannen schuil: Willem Kerkhof, de Nederlandse witte pater die me tijdens de hongersnood van vier jaar geleden in Malawi voor het eerst in contact met Dickson had gebracht, Epifano Chifumbi, mijn Malawiaanse kameraad en tolk en begeleider in het dorp, en ik.

Toen in oktober de eerste honger zich meldde in Dickson, konden alle huishoudens een zak maïs kopen van geld dat door de pater en Chifumbi werd verdeeld. Later, in december, toen de meeste huishoudens opnieuw zonder maïs zaten en de beloofde voedselhulp van de regering uitbleef, ontvingen de dorpelingen opnieuw geld voor maïs. Het meeste geld besteedden de pater en Chifumbi in november, toen zich de buitenkans aandiende om gesubsidieerde kunstmest te kopen.

Elke familie kreeg 6.500 kwacha, ruim 45 euro, om vijf zakken kunstmest aan te schaffen: twee voor maïs, drie voor tabak.

Dat moet genoeg zijn om de negatieve spiraal te doorbreken waarin Dickson al jarenlang gevangen zit. Bezit van kunstmest is bijna een garantie voor een goede oogst. Na de jaren van interen tot op het bot moet nu een jaar van aansterken komen. Met voldoende maïs om misschien wel een heel jaar tweemaal daags te eten. Met de opbrengst van tabak waarmee vee kan worden gekocht, of tweedehands kleren of een fiets en waarvan schriften, pennen en schoolgeld van de kinderen kunnen worden betaald.

Het dorp loopt uit als de pater zijn auto zachtjes in de richting van de dorpspomp rijdt. 'Ons huis' staat er nog, het lemen bouwwerk waar we vorige keer verbleven. De dorpelingen hebben het dak vernieuwd. Ze hebben ook een dak gemaakt op de rieten omheining die als toilet dient. Ze hebben voedsel voor ons ingezameld, ook al hebben we ons eigen maïsmeel bij ons, net zoals vorige keer. Tenslotte zijn we vrienden van Dickson, dorpsgenoten die naar huis gekomen zijn. Dat zegt de plaatsvervanger van het dorpshoofd. Vanmiddag zullen we een feestmaal eten van nsima, groenten en kip.

In de meest bloemrijke bewoordingen worden we bedankt voor alles wat we voor het dorp hebben gedaan. Met hoeveel nadruk we ook verklaren dat het de lezers zijn van de krant die het maïsmeel en de kunstmest betaalden, toch worden we als de bezorgers van de voorspoed gezien. Dat maakt de omgang tussen de dorpelingen en mij ingewikkelder.

Als ik hun de kunstmest kan bezorgen, kan ik hun die ook onthouden. Sommigen redeneren zo. Ik merk het aan de mensen die me meetronen naar hun huizen, zodat ik met eigen ogen kan zien dat ze van het geld ook echt kunstmest hebben gekocht. 'Zoals u had gezegd.' Alsof ze mij verantwoording zijn verschuldigd.

Ik merk het ook in een gesprek met Fanny Mackisoni, de kleindochter van de vrouw van het dorpshoofd. Ik weet dat ze niet genoeg grond heeft om maïs en tabak te verbouwen. Wat heeft ze gedaan met het geld dat voor kunstmest voor tabak was bestemd? Ze draait er eerst omheen. Dan zwijgt ze. Eindelijk komt het hoge woord eruit. Ze heeft een deel van het geld gebruikt om een extra lapje grond te pachten in een naburig dorp. Misschien gebruikt ze ook wel een deel om dat stuk grond te laten bewerken. 'Omdat ik maar alleen ben en ook moet zorgen voor mijn kind.' Dat lijkt een prima investering in een verbetering van haar bestaan, waarvoor het geld uiteindelijk was bedoeld. Voor haar had het helemaal geen zin om vijf zakken kunstmest te kopen. Dat geldt voor meer van de allerarmsten in het dorp. Toch gedraagt ze zich betrapt, omdat ze mijn vermeend gebod in de wind geslagen heeft. Ik wil het niet maar ik kan het niet ontkennen: voortaan ben ik waarnemer en deelnemer tegelijk.

Na mijn eerste verblijf heb ik me vaak afgevraagd hoe het sommige dorpelingen intussen zou vergaan. Mensen aan wie ik verknocht was geraakt en met wie ik was begaan. Die jonge vrouw die zich zo vast had voorgenomen om pas te trouwen als ze haar middelbare school had afgemaakt, als eerste meisje in het dorp, zou ze de druk van haar ouders hebben weerstaan? Nee, dus. Haar ouders hadden eenvoudig het geld niet om haar nog langer naar school te laten gaan.

En de 24-jarige Joyce Foliasi, die in haar huisje aan de rand van het dorp vreemde mannen ontving, zou ze erin zijn geslaagd om 'nee' te blijven zeggen? Ja. Maar het was al te laat. Ze denkt dat het haar man was die haar met het aids-virus heeft besmet. De man die haar heeft verlaten. Behalve haar ouders weet niemand in het dorp dat ze is besmet. Dat denkt ze. Alsof het voor de dorpelingen verborgen blijft dat ze een keer in de twee maanden naar het missie-ziekenhuis in Namitete gaat. Alsof het hun ontgaat dat ze bij terugkeer altijd medicijnen en een pakket voedsel bij zich heeft. Ze respecteren haar zwijgen.

Bij mijn terugkeer heb ik meteen de melaatse oude man opgezocht. De voormalige paria van het dorp die tijdens mijn vorige bezoek door de dorpelingen weer was opgenomen. Zouden ze hem na mijn vertrek weer hebben verstoten? Integendeel. Ze hebben zijn dak gerepareerd. Ze hebben zijn rieten badkamer vernieuwd. Ze brengen hem elke zondag achterop de fiets naar de kerk. Hij droomt ervan om in zijn huis een winkeltje in basisbenodigdheden te beginnen, zoals zeep, lucifers en paraffine. Het gaat hem vooral om de aanloop. Hij heeft een onblusbare behoefte aan menselijk contact.

De melaatse oude man is niet de enige die hulp krijgt uit het dorp. Ook andere bejaarden, zieken en wezen moeten in de toekomst bijstand krijgen. Daarvoor hebben de dorpelingen enkele maanden geleden een comité opgericht. Ze hebben een lap grond tot gemeenschappelijke akker verklaard. Elke familie wordt verondersteld daarop te werken. Elke familie hoort kunstmest bij te dragen. De opbrengst is bestemd voor de wezen van het dorp.

Een ongekend initiatief van een dorp waar iedereen zich tot voor kort maar zelf moest redden. Waar elk huishouden de handen vol had aan zichzelf. Alsof die uitspraak van Chifumbi in het dorp nog altijd echoot: 'Hoe kun je verwachten dat vreemdelingen hier komen helpen, als jullie elkaar niet eens helpen?' Alsof die uitspraak gehoor gevonden heeft.

Het dorp bruist opeens van de plannen. Er moet een basisschool komen in Dickson. De basisschool in Kasanjole waar de kinderen nu heengaan, wordt bedreigd met sluiting. Daarbij konden kinderen er pas vanaf 8 jaar naartoe omdat het een uur lopen is. Er is ook al een plaats voor de nieuwe school gekozen: naast de katholieke kerk, boven op de heuvel. Zodat de kerk doordeweeks kan dienen als schoolgebouw. In het voorjaar zullen de dorpelingen de eerste stenen bakken. Als de school klaar, vraagt het comité van de lokale overheid dat ze onderwijzers naar Dickson stuurt.

'Er voltrekken zich grote en ingrijpende veranderingen in Dickson.' Dat zegt de 55-jarige meneer Hopuson Thunde. Hij is de enige in het dorp die ik vanaf mijn eerste bezoek als vanzelf met 'meneer' aanspreek. Hij straalt een natuurlijk gezag uit. Hij is de langste man van het dorp, de enige Baptist, een van de weinigen die Engels spreken, de enige die een leesbril bezit. Hij onderscheidt zich ook van de andere dorpelingen doordat hij zoveel vragen stelt. Hem hebben de dorpelingen gekozen tot voorzitter van het dorpscomité.

Dat knaagt aan de positie van het dorpshoofd. De dorpelingen hebben onderkend dat hij de visie en onzelfzuchtigheid mist om het dorp te verheffen. Voorlopig schikt hij zich in zijn bijrol. Op bijeenkomsten voert zowel het dorpshoofd als meneer Thunde het woord. Het ondertekenen van documenten neemt meneer Thunde voor zijn rekening. Het dorpshoofd kan niet schrijven.

Bij alle veranderingen in het dorp speelt Chifumbi een prominente rol. Hij ziet het als zijn persoonlijke opdracht om het dorp vooruit te helpen. Hij zet de dorpelingen aan tot zelfredzaamheid. Hij heeft de naam van het dorpscomité bedacht: Dickson Friends Foundation.

'De financiële hulp van buiten is eindig.' Dat hamert Chifumbi er bij de dorpelingen steeds weer in. 'Deze kans moeten we grijpen. Deze kans komt nooit meer terug.' Hij zegt dat hij zich zou schamen als Dickson terugzakt in het moeras.

De komende maanden hebben de dorpelingen nog hun handen vol aan overleven. Pas eind maart kan er worden geoogst. In de meeste huizen is de bodem van de zak met maïs al in zicht. Toch verwerp ik het plan van de pater en Chifumbi om bij mijn afscheid weer geld voor maïs te geven. Ik wil naar Dickson terug kunnen zonder de verwachting van beloning te wekken. Ik vind ook dat de dorpelingen eerst moeten aankloppen bij hun eigen regering die tenslotte voedselhulp belooft.

Dickson kan op zichzelf vertrouwen. Dit keer stel ik Dickson graag teleur.

Het oorspronkelijke artikel in M: 'Het gezicht van de armoede' is via www.nrc.nl in het digitaal krantenarchief te lezen.

Dick Wittenberg is redacteur van NRC Handelsblad.

Jan Banning is fotograaf. Van 14 januari tot 10 april exposeert de Kunsthal in Rotterdam zijn foto's uit Dickson, waarmee hij vorige maand de eerste prijs won van de Zilveren Camera in de categorie portretten.

[streamers]

Dit is niet meer het dorp waar ik een paar weken heb gewoond.

Als ik hun de kunstmest kan bezorgen, kan ik hun die ook onthouden.