De ontragische val van D66-leider Dittrich

D66-partijleider Dittrich heeft gisteren de enige logische stap gezet: terugtreden als fractievoorzitter en als leider van zijn partij. Het is een ontragische val. Hij is niet veroorzaakt door tegen beter weten in te streven naar een onbereikbaar hoger doel, maar eenvoudig door een politiek gokje dat fout afliep. Immers, Dittrich erkende zelf dat hij nimmer de opzet had het kabinet daadwerkelijk ten val te brengen inzake de uitzending van Nederlandse militairen naar Afghanistan. In het debat in de Tweede Kamer donderdagavond gaf hij toe dat zijn intentie was geweest op die manier de PvdA uit de tent te lokken. PvdA-leider Bos heeft daarop inmiddels met begrijpelijke verbijstering gereageerd. Wie, zoals Dittrich, een zo opzichtig partijpolitiek spelletje speelt met een zo vitale beslissing als het uitzenden van troepen naar een ongewisse bestemming, die kan maar beter niet al te veel publieke verantwoordelijkheid dragen.

Dittrich deed nog een poging voor zichzelf een nis te metselen in de eregalerij van D66 door te wijzen op de belangrijke koerswijziging die hij in de drie jaren van zijn leiderschap heeft ingezet. Maar dat overtuigde niet: het doorgeslagen pragmatisme van Dittrich heeft de Democraten weggeleid van de missie waarvoor de partij ooit is opgericht: de modernisering van het politiek bestel. Als het ooit komt van de gekozen premier, het nieuwe kiesstelsel of de gekozen burgermeester, is dat eerder ondanks dan dankzij D66. Deze week begon juist de Nationale Conventie, ingesteld door minister Pechtold (Bestuurlijke Vernieuwing, D66), met haar werk. Zij moet dit najaar adviseren over al dan niet grondwettelijke verbeteringen van het bestel. Maar de voorzitter, staatsraad Hoekstra (CDA), tevens voormalig topambtenaar op het ministerie van Algemene Zaken en rechterhand van oud-premier Lubbers, heeft te kennen gegeven vooral te willen restaureren. Voorlopig dus geen “ontploffing van het bestel', waar D66-oprichter Van Mierlo naar streefde.

Dittrich hoopt met zijn offer de weg vrij te maken voor alweer een doorstart van zijn partij in de coalitie. Zijn opvolger Van der Laan kan nu, zo hoopt hij, met een “schone lei“ beginnen. Dat valt te bezien. Rouvoet, fractievoorzitter van de ChristenUnie, heeft dat terecht “politiek naïef“ genoemd.

Tot dusver is D66 aan de regeringsdeelname zijn vice-premier De Graaf en zijn politiek leider kwijtgeraakt. Twee kopstukken binnen een jaar. Doorregeren lijkt vanzelfsprekend, maar met D66 gebeurt hetzelfde als met een stuk zeep in een warm bad: het wordt kleiner en glibberiger tot het verdwijnt. In het licht van de gemeenteraadsverkiezingen volgende maand is enige helderheid geboden. De lokale afdelingen vrezen terecht een afstraffing van de kiezer. Voor D66 is de toestand altijd hetzelfde: hopeloos maar niet ernstig. Intussen is de al fragiele regeringscoalitie door de interne crisis van D66 verder verzwakt. Daarbij heeft niemand baat. De Democraten moeten zich afvragen wat verdere regeringsdeelname oplevert. En daarnaar handelen.