Blijven praten, ook als er doden vallen

Met kogelvrije slaapcontainers probeert Defensie de risico's van de missie naar Uruzgan te beperken. Maar tegen zelfmoordaanslagen is geen militair bestand.

Toen in mei 2004 bijna elke nacht mortiergranaten neerkwamen in de Nederlandse kampementen in Irak, moesten de militairen improviseren. Met zandzakken bouwden ze lage muurtjes rond de slaapvertrekken met hun dunne prefab-wandjes. Binnen sliepen de soldaten niet op hun veldbed, maar op de vloer. Liggend waren ze veilig voor eventueel boven hun hoofd inslaande granaatscherven.

In Afghanistan gaat dat straks anders. Op de Nederlandse bases in Uruzgan komen kogelvrije “slaapcontainers' te staan. Het ministerie van Defensie heeft alles uit de kast getrokken om de “aanzienlijke risico's van de missie zo klein mogelijk maken. Vervoer over de weg gaat in pantserwagens of in auto's die met kevlar platen zijn versterkt. Als er een bom ontploft langs de weg, hebben de militairen zo een kans. Raken ze toch gewond, dan liggen ze binnen het uur op een operatietafel, zo is de bedoeling. “Medivac'-helikopters kunnen ook in de meest afgelegen gebieden van het onherbergzame Uruzgan snel ter plaatse zijn. Niet alleen op het hoofdkwartier van de NAVO-stabilisatiemacht ISAF in Kandahar, maar ook op de basis in Tarin Kowt komt een militair hospitaal met chirurgische capaciteit.

De militairen kunnen ook zelf van zich afbijten. Net als in de rest van Afghanistan zal de ISAF in het zuiden van Afghanistan primair gericht zijn op de wederopbouw. Maar anders dan in het noorden en westen gaat ISAF in het zuiden zwaarbewapend, en met een grote numerieke overmacht, de provincie in. In Uruzgan worden straks 1.200 Nederlandse militairen gelegerd. Ter vergelijking: het Nederlandse “Provinciale Reconstructie Team' (PRT) in de noordelijke provincie Baghlan (150 man) wordt beschermd door een “beveiligingspeloton' van ongeveer dertig infanteristen. Het PRT in Uruzgan krijgt de beschikking over een complete battle group, waarvan de kern wordt gevormd door het twaalfde bataljon van de Luchtmobiele Brigade uit Schaarsbergen. Alsof deze troepen nog niet voor zichzelf kunnen zorgen, is aan het bataljon ook nog force protection, toegevoegd: pantserinfanterie uit Havelte.

Behalve veel mensen gaat er ook veel materieel mee - zo ongeveer ál het materieel van de krijgsmacht dat militair van nut kan zijn. De pantserwagens op wielen van de het Finse merk “Patria' worden eigenlijk altijd ingezet. Ook dit keer krijgen de troepen in Uruzgan de beschikking over opsporingsradars die kunnen detecteren vanwaar wordt geschoten, en over mortieren om terug te schieten. Maar anders dan in Irak zullen in Uruzgan ook YPR-rupsvoertuigen met nachtzichtapparatuur en snelvuurkanon worden ingezet. Mocht dit niet genoeg zijn, dan worden er nóg grotere kanonnen verscheept - de zware M109 houwitsers van de landmacht worden in Nederland in verhoogde staat van paraatheid gehouden.

Vuursteun is er ook uit de lucht. De NAVO-transporthelikopters zullen geen vliegbeweging maken zonder dat ze worden begeleid door Nederlandse Apache gevechtshelikopters, die vanaf de vliegbasis Kandahar zullen opereren. Op diezelfde basis komen ook zes Nederlandse F-16's te staan, die binnen enkele minuten boven de Talibaanstrijders kunnen cirkelen - om te dreigen, maar ook om precisiebommen af te werpen, geholpen door zogeheten forward air controllers op de grond. Nederland heeft als voorwaarde gesteld dat alle Apaches en F-16's operationeel zijn, vóórdat de grondtroepen het gebied ingaan.

Maar wie is de tegenstander tegen wie Nederland met zoveel wapengekletter uitrukt? Volgens de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) tellen de zogeheten Opposing Militant Forces (OMF) 300 à 350 Talibaan en Al-Qaedastrijders. De OMF opereren in kleine groepjes van tien à twintig man. In een “open gevecht' heeft de OMF dus geen kans. Maar de OMF hoeft dat gevecht ook helemaal niet aan te gaan. Hinderlagen en aanslagen hebben de Amerikanen en coalitiegenoten in Afghanistan het afgelopen jaar circa honderd doden gekost. De laatste maanden zijn die aanslagen steeds frequenter geworden. Verontrustend is ook dat vanuit Irak een nieuw fenomeen is komen overwaaien, dat tot dus toe weinig populair was in Afghanistan: de zelfmoordaanslag.

Ook de twee militairen die tijdens de missie in Irak omkwamen, lieten het leven door aanslagen. Sergeant Dave Steensma kreeg bij een brug in de provinciehoofdstad As-Samawah een handgranaat voor de voeten geworpen. Wachtmeester Jeroen Severs zat in één van de twee jeeps die in het plaatsje Ar-Rumaytah ineens van verschillende kanten onder vuur werden genomen. In beide gevallen zijn de daders nooit gepakt. Het laat zien hoe moeilijk het is om je tegen dit soort aanslagen te verdedigen. In Uruzgan loert straks overal gevaar: op de verlaten berghellingen in het noorden, op de asfaltweg naar Tarin Kowt, maar ook op de drukke markt, of bij de moskee.

De belangrijkste verdediging van de militairen wordt daarom niet gevormd door het indrukwekkende arsenaal dat naar Uruzgan wordt verscheept. De Nederlandse militairen gokken erop dat zij voor elkaar zullen krijgen wat de Amerikanen niet gelukt is: het verkrijgen van steun van bevolking. Ook als er aan Nederlandse zijde doden vallen, zullen ze blijven doen wat ze altijd doen: de poort uitrijden, met mensen praten, laten zien dat je er bent. In Irak heeft die tactiek uiteindelijk gewerkt, zeggen de militairen.