Zien wat je ziet als je niets meer ziet

Veel fotografen zijn gefascineerd door blinden. Uit angst zelf blind te worden. Koos Breukel legt in zijn blindenportretten het bezield verband vast tussen zintuig en prothese.

Hoe zien de ogen van iemand die blind is eruit? Als het gelijknamige personage in het verhaal “De blinde fotograaf' (uit Een landingspoging op New Foundland) van W.F.Hermans zijn donkere en ondoorzichtige bril afzet, ziet de ik-figuur iets tamelijk afschrikwekkends: “Toen sperde hij zijn oogleden zo wijd open, dat de huid op zijn voorhoofd ervan rimpelde. Zijn ogen puilden uit de kassen en bovendien waren ze groter dan normale ogen. Ze waren wit als pingpongballen, egaal wit, overal, een iris of pupil, hoe klein ook, kon ik er niet in ontdekken, hoelang ik er ook naar scheen te zoeken, krampachtig als ik daar stond [...], mijn mond open, roerloos.“

W.F.Hermans laat het in het verhaal in het midden of deze blinde fotograaf ook écht blind is. Jaren later zou Hermans dit personage omschrijven als een “oplichter'. Maar tegelijkertijd worden de ogen van deze blinde fotograaf iets monsterlijks. Blindheid was niet genoeg, er moest ook misvorming bij.

Hermans lijkt met deze blinde fotograaf een angstvisioen te hebben uitgebeeld dat de beroepsgroep kan teisteren. Zoals componisten doofheid en pianisten reuma aan hun handen vrezen, zo schijnen fotografen meer dan gemiddeld bang te zijn te worden getroffen door blindheid. In ieder geval vormt “het oog' opmerkelijk vaak een obsessie voor fotografen.

Op latere leeftijd werd de schrijver Jorge Luis Borges langzaam maar zeker blind. Toen Borges zijn gezichtsvermogen compleet kwijt was, dienden zich drie prominente fotografen aan met het verzoek hem te portetteren: Irving Penn, Richard Avedon en Diane Arbus. Gevraagd naar zijn motief om Borges te portretteren, legde Avedon uit: “I photograph what I am most afraid of, and Borges was blind.“

Diane Arbus was gefascineerd door blinde modellen. In de vroege jaren zestig had ze foto's gemaakt van een blinde straatartiest die zich Moondog noemde. Deze Moondog figureerde meer dan eens in Arbus' brieven en dagboeknotities. Haar blinde model leefde volgens haar in een “onbevattelijke atmosfeer'. Ze vond Moondog “zowel kwetsbaarder als autonomer' dan vrijwel alle andere modellen die ze tot dan toe had geportretteerd. De ontmoeting met Moondog stond aan de basis voor een fascinatie voor blinde modellen.

Arbus fotografeerde graag blinden omdat zij zoals ze het uitdrukte, “geen gezichtsuitdrukkingen kunnen voorwenden. Ze kennen hun gezichtsuitdrukkingen niet, en dus hebben ze geen masker.“

Arbus heeft het hier natuurlijk over mensen die sinds hun geboorte blind zijn; Jorge Luis Borges bijvoorbeeld wist wat er te gebeuren stond en wat hem te doen stond toen Richard Avedon hem vroeg te poseren. Borges gaf, zo besefte Avedon later, een soort privé-voorstelling. Borges' gedrag stond tijdens de fotosessie geen echt contact toe. “Deze schrijver had zijn eigen portret al lang geleden genomen, en dat portret was het enige dat ik kon en mocht fotograferen“, aldus Avedon.

Aardse vrezen

Een fotograaf wil “grootste angst' fotograferen in de persoon van Borges, maar is vervolgens niet in staat zichzélf in die foto binnen te smokkelen. De vraag moet dan zijn: wat had Avedon van zichzelf in het portret van Borges willen leggen? Zijn eigen angst? Wie foto's van de blinde Borges ziet - bijvoorbeeld het portret van Arbus - ziet een aristocratisch ogende man, die aan alle aardse vrezen lijkt te zijn ontstegen. Misschien begreep Borges, zonder de fotograaf te hoeven zien, dat hij gefotografeerd zou worden door iemand die voor iets heel anders dan hemzelf kwam. Vandaar dat de schrijver besloot de fotograaf niet zichzelf maar zijn “portret' te schenken.

Deze anekdote drong zich op bij het zien van sommige portretten uit de reeks Cosmetic View van Koos Breukel. Alle modellen in deze reeks hebben oogprothesen. Bij de meeste werkt hun goede, gezonde oog; anderen uit de reeks zijn geheel blind. Wat, om met Avedon te spreken, brengt Breukel van zichzelf mee in deze reeks? De modellen die geheel blind zijn lijken naar binnen te kijken. Die inwaartse blik stemt overeen met Breukels motieven als hij portretten maakt. Hij stelt zich ten doel bij ieder portret de binnenwereld van een geportretteerde te vangen. Dat is een hachelijke kwestie waarbij behalve een borende blik ook een delicaat gevoel voor de menselijke maat komt kijken. Breukels streven naar technische perfectie geeft aan zijn portretten wel eens iets cerebraals. Tegelijkertijd is hij - en dit is allesbehalve denigrerend bedoeld - zichtbaar een gevoelsmens. Dat mag ook blijken uit zijn uitspraak: “Je kunt het zo gek niet bedenken of je kunt er wel een mooie foto van maken. Maar zonder gevoel is het niks dan een leugen.“

De geportretteerde mag poseren, maar een fotograaf die zélf poseur is maakt niets dan leugenachtig werk. Om het in de woorden van Arbus te zeggen: de fotograaf moet zélf zijn masker afleggen.

Ik ken weinig Nederlandse portrettisten die zoveel verstilling aan zijn modellen weet te ontlokken als Breukel. Terwijl een collega en generatiegenoot als Rineke Dijkstra zich toelegt op broosheid en breekbaarheid van gemoed en gestalte, concentreert Breukel zich in Cosmetic View op het schijnbaar onhaalbare. Hij wil intensiteit ontlokken aan dát facet van het gezicht dat zich bij deze geportretteerden onttrekt aan iedere expressie: het “loze' oog, de prothese, het placebo dat zich in de oogkas vouwt op een manier die in niets doet denken aan het horror-beeld dat W.F.Hermans schetste in “De blinde fotograaf'.

Veel van de gezichten in Cosmetic View drukken iets uit wat tegengesteld is aan het schrikbeeld in “De blinde fotograaf'. Bij Breukel geen monsterlijke “pingpongballen' - zijn foto's tonen de betrekkelijke lieflijkheid van de oogprothese. Dat is natuurlijk een huzarenstukje dat de fotograaf hier levert. Het dingmatige in het gezicht blijkt te kunnen worden bezield. Zwijgend zeggen zijn modellen vrijwel allemaal hetzelfde: er is niets om bang voor te zijn.

Eén van de modellen, Paul Welsing die blind is vanaf zijn peutertijd, zei in een kort interview dat deze krant afdrukte bij zijn portret: “Jullie zienden zijn vaak zo geobsedeerd door het kijken. Die obsessie drukt andere zintuiglijke sensaties naar de achtergrond.“

De sensatie waar de fotograaf zélf vaak naar streeft, is onzichtbaarheid. Hij wil niet gezien worden, louter oog zijn, opdat dit oog in alle vrijheid kan registreren en vastleggen. Want de aanwezigheid van de fotograaf is onvermijdelijk van invloed op iedereen die poseert. Eenmaal opgelost en verdwenen in het niets ziet de fotograaf kans het échte momentum te overmeesteren, en daarmee ook de expressie die schuilgaat áchter de “pose der natuurlijkheid', zoals Philip Mechanicus - vast en zeker een erflater voor Breukel - het eens uitdrukte.

Intussen blijft de figuur van de blinde fotograaf niet beperkt tot het domein van de fictie. Hannes Wallrafen bijvoorbeeld is een échte blinde fotograaf. Nadat hij meer dan dertig jaar had gefotografeerd, kreeg Wallrafen de zeldzame erfelijke ziekte LOA: Leber's opticus atrofie. Sindsdien is hij fotograaf zonder zicht; hij maakt nu “geluidsfoto's'. En dan is er ook Evgen Bavcar, fotograaf uit Slovenië. Een blinde fotograaf. W.F. Hermans was er getuige van hoe de werkelijkheid zich over zijn fictie schoof. Meer dan veertig jaar nadat hij “De blinde fotograaf' had geschreven, maakte Hermans kennis met de foto's van Bavcar. Diens manier van werken is vanzelfsprekend volkomen onorthodox. Wat hij wil fotograferen, raakt Bavcar eerst uitvoerig aan. Foto's vormen in zijn beleving de abstracte notulen bij een logboek dat geheel en al uit tastzin bestaat.

Willem Frederik Hermans vond Bavcars foto's mooi, liet hij weten toen hij een deel van diens oeuvre had gezien. Maar tegelijkertijd vertrouwde Hermans het niet. De blinde fotograaf uit zijn gelijknamige verhaal was een oplichter - en bij Bavcar dacht Hermans direct aan vergelijkbaar boerenbedrog. Uit Hermans' achterdocht sprak het cynisme van de man die weigerde te geloven dat de blinde blik naar binnen iets ánders bevatte dan een schrikwekkend vacuüm.

In essentie annexeerde Hermans de blindheid in zijn universum van bedriegers en bedrogenen. Wie door blindheid geslagen wordt, tuimelt in het valluik van het Niets, waar de duisternis hem dwingt tot een nieuwe manier van overleven, en bij dat overleven hoort kennelijk automatisch een mate van bedrog. Alles, dus ook blindheid, is uiteindelijk te herleiden tot de Leugen. Hermans peurde, zoals bekend, onmiskenbaar enige triomf uit deze overtuiging.

Zelf zei de blinde fotograaf Bavcar over zijn foto's: “Mensen moeten leren accepteren dat ook blinden een blik hebben.“ Dat is geen uitspraak die iets los zal maken bij de schrijver wiens wereldbeeld eruit bestond dat wij altijd en overal door gevaarlijke gekken zijn omringd.

Het is wél een uitspraak waarmee een fotograaf als Koos Breukel uit de voeten kan. Met de reeks Cosmetic View lijkt Breukel op te willen lossen in de binnenwereld van degenen die poseren. Hij wil méé naar binnen kijken. Zien wat je ziet als je niets meer ziet. De fotograaf die zich tot het uiterste met zijn model identificeert. Als hij het niet met dit gevoel doet, resteert immers alleen de leugen.

Utopie

Het cliché wil dat ogen de spiegels van de ziel zijn. Breukel kantelt het cliché en vormt het om tot een kleine utopie van het alledaagse; zijn portretten willen het bezield verband vangen dat bestaat tussen ding en gezicht, zintuig en prothese, duisternis en fonkeling in de artificiële iris.

Van de blindgeworden Borges is het korte en overrompelende verhaal “De aleph', over een geheime steen die, als je erin kijkt, alles onthult wat in de wereld het geval is, een overweldigende gelijktijdigheid van verleden, heden en toekomst, van feit en fictie, werkelijkheid en fantasmagorie. Het verhaal is in omvang bijna spottend “klein' in vergelijking met de grootsheid van wat erin beschreven wordt. Het is verleidelijk te zeggen dat je misschien blind moet zijn om een aleph te kunnen en willen bedenken.

Wat bevindt zich achter de oogprothesen zoals te zien in Cosmetic View? Alles wat het geval is. Bavcar zei het zelf: ook blinden hebben een blik. We zien telkens datgene wat zélf niet in staat is tot zien: het ding vermomd als oog. En juist via die blikloze vermomming, via die ooggeworden ontspiegeling, kijken we recht bij de geportretteerde naar binnen, en vangen een glimp op van wat daarbinnen wordt gezien.

En wát is het dan, wat daarbinnen wordt gezien? Niets, zou Hermans zeggen, niets dan dezelfde leugens waarmee onze buitenkant is gestoffeerd. Heel veel, vertellen de foto's van Breukel, misschien wel meer dan alles wat wij met de achteloosheid van de bevoorrechten waarheid en werkelijkheid noemen.

Koos Breukel, “Cosmetic View'. T/m 12 februari in Van Zoetendaal Gallery, Keizersgracht 488, Amsterdam. Wo t/m za 11-18 uur.