Wim de strandjutter

Wim Hofman (65) tekent, dicht, schrijft en schildert “wrochtsels', “stolsels' en “plaatjes' - voor kinderen en volwas- senen. Hij kan geestig zijn, maar hij is in de grond een pessimist. In het Letterkundig Museum is sinds gisteren een overzicht van zijn werk te zien. “Ik houd niet van een goede afloop.“

Op het strand. Tegen de avond. De zee grijs. Stil. En troebel. Laag water.Het kan niet lager. Af en toe komt er heel moe en lui

een golfje omhoog. Omdat het nu eenmaal moet.

Zo begint Wim, een kinderboek van Wim Hofman uit 1976. Zevenentwintig jaar later, in de dichtbundel Wat we hadden en wat niet, dichtte hij over het getij, in de vorm van een golf. Het vers gaat over de vraag wat mooier is: het zeewater als het over het strand aan komt rollen, of juist wanneer het zich terugtrekt. De dichter kan niet kiezen. “Nog steeds niet“, zegt hij.

De zee is sinds Hofmans debuut in 1969 zijn voornaamste inspiratiebron. “Naar de zee kan ik eindeloos kijken. Al zit de zee tegenwoordig vooral in mijn hoofd: de echte zee bij mijn huis in Zeeland is vervuild en verpest, net als het strand.“

Hij is, voorzichtig gezegd, in zichzelf gekeerd. Hij kijkt je zelden recht aan, plukt aan zijn baard, maakt kleine tekeningetjes. Hij is een autodidact die een eigen universum schiep, waarin hij, ook als hij niet aan het werk is, in gedachten lijkt rond te dolen. Hofman vaart zijn eigen koers en is soms moeilijk te volgen. Zijn werk heeft absurde trekken en is daardoor vaak geestig, maar in de grond is hij een pessimist. Zijn figuren slagen er niet in om echt contact te maken; het is bij Hofman ieder voor zichzelf. Zijn kinderverhalen hebben een grimmige ondertoon, al schreef hij sprankelende nonsensrijmen en knotsgekke avonturenverhalen. Hij maakt het zijn lezers niet makkelijk: hij roept van alles op, maar verklaart niets. Als beeldend kunstenaar en illustrator is hij even enig in zijn soort; hij past bij geen stroming of genre. Zelf noemt hij zijn schilderijen geen kunst maar “plaatjes'.

Gisteren is hij 65 jaar geworden. Vanaf vandaag is in het Letterkundig Museum in Den Haag een tentoonstelling over zijn werk te zien, met de titel Op reis met Wim Hofman.

Het kan bij Hofman over alles gaan: over ontdekkingsreizen, zingende krentenbollen, een schoen die in het water valt, de werking van het geheugen. Maar het gaat meestal, of op zijn minst óók, over de zee. Zijn zinnen zijn, wanneer je ze hardop leest, ritmisch als golven. Hij bezingt wier en zoute wind, het strand en de horizon. Talloze malen verfde hij de branding, op kartonnetjes en grote doeken. Elke Hofmanzee verschilt van de rest, zoals ook de echte zee altijd hetzelfde en toch steeds weer anders is.

Voorbij de horizon, aan de andere kant van de zee, wacht de wijde wereld. Maar bij Wim Hofman is de zee zélf al de wijde wereld. Hij laat zich inspireren door wat er in leeft, door wat er op drijft, door wat zich op de bodem zoal afspeelt, of zou kunnen afspelen. Ook verzon hij ettelijke eilanden.

Toch is hij zelf bepaald geen zeeman. Hij wordt al gauw misselijk, op een boot. Liever dwaalt hij langs de rand van de zee, speurend naar licht, geluid, geur en voorwerpen, als een jutter. Reizen maakt hij in zijn hoofd, met zijn vondsten als vertrekpunt.

Wim Hofman groeide op aan het strand, in Vlissingen, waar hij sinds 1971 weer woont. Als kind droomde hij van avonturen en Afrika. Huckleberry Finn van Mark Twain, gekregen op zijn tiende, was daarbij zijn grootste inspiratiebron. Hij komt uit een arm arbeidersgezin. Zijn moeder had harde handen, maar er was een poppenkast in huis, boeken, en oostindische inkt.

De golven kunnen vriend of monster zijn. Over de watersnoodramp van 1953 schreef hij onder meer in het kinderboek De Stoorworm (1980). In zijn poëzie toont hij aan de hand van de zee hoe alles komt en gaat. Hij staat erbij en kijkt ernaar; af en toe legt hij iets vast.

Zijn eigen werk maakt ook de indruk van iets wat eeuwig rond klotst. Er zijn vaste verhaal- en vormelementen die steeds opnieuw boven komen drijven. Complete situaties komen vaker voor: in Het vlot (1988) hangt een man een wit konijn aan een waslijn op, om uit te bloeden. In een gedicht uit de bundel Na de storm (2005) gebeurt hetzelfde. Ook onschuldiger gegevens blijken terug te keren. Zo beschreef Hofman tot nu toe twee keer hoe een kind in een schotel dikke pap een gezichtje eet. Eerst schept het twee holletjes voor de ogen, dan een maantje voor de mond.

Zijn beeldend werk kenmerkt zich eveneens door herhaling: inkt- en koffiepotten, flessen, kisten en kleren duiken telkens weer op. “Ik zie in een voorwerp al gauw karakter“, zegt hij. “Een deurklink is bijvoorbeeld een armpje. Ik kan een afkeer van dingen hebben door de associatie die ze me opleveren, de voorkant van een auto als lelijk gezicht.“

Uiteindelijk gaan de ontdekkingsreizen waarover Hofman schrijft en tekent altijd over hemzelf. Hij vaart als het ware om zichzelf heen, als om een eiland. In Na de storm staat een gedicht getiteld: “Sinds 2 februari ben ik bezig een zee te tekenen“. Op 2 februari werd hij geboren.

“Wat ik ook maak, het zijn altijd stillevens“, zegt Wim Hofman. “Soms letterlijk, zoals hier, maar ook als ik een beweging weergeef. Het leven vloeit. Als je iets vertelt of afbeeldt, geef je er een vorm aan. Dan is het: op de plaats rust.“

Zijn kunstwerken beschouwt hij als “wrochtsels' en “stolsels'.

Als dichter voor volwassenen kiest Hofman vaak nadrukkelijk voor het perspectief van het kind dat hij was. Hij keert erin terug naar het Zeeland uit zijn jeugd. Toch heeft hij niet de pretentie precies te zeggen hoe het is geweest. “Je kleurt en je duidt, zelfs als je niet door hebt dat je dat doet“, zegt hij. “Dat kan niet anders, zo werkt het geheugen. Bovendien moet wat je maakt bij een ander iets oproepen. De kunst is het suggereren. Je moet je weten te beperken, sober met je kleuren omgaan, keuzes maken, wikken en wegen.“

Hofman wil met zijn werk nieuwsgierigheid wekken, en verwondering. Daarom kiest hij in zijn verhalen vaak voor een open einde. “Ik houd niet van een goede afloop“, zegt hij. “Waarom willen mensen dat toch? Als iets goed eindigt is het klaar, over, voorbij. Er spreekt ook gemakzucht uit, dat je zomaar wilt stoppen met kijken. Alles wat tot leven is gewekt, wordt in één keer weer afgekapt.“

Hofmans ontdekkingsreizen stranden letterlijk en figuurlijk zomaar ergens. Hij wil het niet afhechten. Slechts één keer verzet hij zich tegen een open einde, niet toevallig in het gedicht uit Na de storm over een vader die doodgaat, maar nog net niet dood is.

“Wie verzon toch het vraagteken, akelige, kromme weerhaak?' Niet alle lezers hebben Hofmans hang naar open eindes altijd kunnen waarderen. In 1977 kreeg hij een Zilveren Griffel voor Wim. Dat deed enig stof opwaaien, want het boek is, zeker voor een kinderboek uit die tijd, opvallend somber van toon, zo niet naargeestig. De hoofdpersoon, een doodeenzaam jongetje, loopt van huis weg, maar wordt op het eind weer opgehaald. Niet door zijn snikkende moeder of door zijn van spijt verteerde vader - nee, door de nieuwe vriendin van zijn vader, die hij niet eens kent.

De mens is de mens een wolf; wie aanklopt bij een vreemd huis, staat niet veel goeds te wachten. Hofmans werk is van alles, maar het is zelden gezellig of geruststellend, of maar voor heel even. Gulle, warme personages komen bijna niet voor.

De pogingen van Hofmans personages om contact te maken zijn talloos. Alle flessen die langs drijven in zijn werk - en dat zijn er nogal wat - worden hoopvol opgepakt: wie weet zit er een briefje in. Hofman bewerkte veel sprookjes. In Zwart als Inkt (1997) schrijft Sneeuwwitje briefjes aan alles en iedereen, zonder ooit antwoord te krijgen. Haar moeder heeft haar verstoten.

Kinderen hebben het zwaar te verduren bij Hofman. Hun ouders zijn egocentrisch en soms wreed. Dat geldt net zo goed voor broers, zussen of leeftijdsgenoten. In Het vlot (1988) speelt de hoofdpersoon in naoorlogs Vlissingen buiten, tussen het schroot. Dat is gevaarlijk, maar: “het gevaarlijkst waren de andere kinderen tegen wie ook gezegd was: ga maar buiten spelen.'

Wim Hofman is geboren in een “zeehospitium' in Oostkapelle, op 2 februari 1941. In Vlissingen, waar zijn ouders eigenlijk woonden, mocht zijn moeder niet bevallen, dat was te gevaarlijk. Zijn vader slaagde er niet in om aan het kraambed te verschijnen. Met een lekke band stond hij in de vrieskou aan een dijk. Niemand wilde hem helpen, want het was op een zondag.

Wim Hofman noemt de Tweede Wereldoorlog zijn “eeuwig referentiekader'. Het verklaart de grimmige werelden die hij schetst, en misschien ook het wantrouwen jegens andere mensen dat uit zijn werk blijkt. Zo goed als het ruisen van de zee doorklinkt in zijn werk, is ook het geluid van aankomende bommenwerpers nooit ver weg.

Toch wemelt het in zijn werk ook van heel andere vliegtuigen. Het vliegtuig is één van zijn favoriete vervoersmiddelen. In zijn werk voor jonge kinderen maakt Suusje Pietz, een wat knobbelig meisje uit een meeslepend rijm, elf vliegmachines van allerlei materialen. Als kind droomde Hofman ervan naar Afrika af te reizen. Daar kwam hij in later jaren ook daadwerkelijk wel even terecht, in Oeganda, als tekenaar van medisch voorlichtingsmateriaal, maar hij ging later weer gewoon in Zeeland wonen. Wel toont hij zijn wereld nog altijd graag geheel of gedeeltelijk vanuit de lucht, op zijn landkaarten.

In mei 1942 werd Hofmans vader te werk gesteld in Duitsland. Zijn moeder trok met haar twee jonge zoontjes naar Oost-Brabant, waar ze zelf vandaan kwam. Daar brachten ze in een dorp de oorlogsjaren door. Op weg naar Arnhem kwam de bevrijders langs; ze denderden dwars door alles heen. Tanks schoten alles kapot, en er waren bombardementen. Hofmans moeder kroop zodra het luchtalarm klonk met haar kinderen onder de tafel. Wim Hofman heeft de bewuste tafel nog altijd. Talloze malen tekende hij hem na, met zijn te korte poten. Er zijn tijdens de oorlog stukken van afgezaagd, als kachelhout. “Een tafel is als een huis“, zegt hij. “Hij biedt beschutting. Je kunt er ook op varen, als je hem omkeert.“

In het gedicht “Thuiskomst' (Wat we hadden en wat niet, 2003) “verdicht' Hofman hoe zijn vader na de oorlog te voet uit Duitsland terugkeerde. Zijn zoontje weet niet meer wie hij is. “Dat moet een ontgoochelende ervaring voor hem zijn geweest“, zegt Hofman. Het gezin keerde terug in het vernielde Vlissingen. De beelden van de kapotgeschoten stad maakten een onuitwisbare indruk op hem.

De kerk (illu: Madonna met kind)

In de cyclus “Herinnering' (Na de storm) dicht Hofman:

en in die tijd geloofde God nog in mij en in de wind zat nog Zijn geheimzinnige stem

Wim Hofman droomde er als kind van missionaris worden. In 1953 begon hij met de opleiding daartoe, aan het seminarie in Sterksel. De studie liep langs tal van plaatsen, zoals Santpoort, Antwerpen en Leuven. Ooit moet hij een hartstochtelijk gelovend man zijn geweest. Heel af en toe valt daarvan een glimp op te vangen in zijn poëzie, maar er echt over praten of schrijven doet hij niet. Hij verklaart zijn missionarisdroom achteraf geheel en al uit een behoefte uit te breken, uit zucht naar avontuur.

Al op de middelbare school en het seminarie maakte Hofman absurd toneel en gekke verhalen. Eén jaar voordat hij zijn opleiding tot missionaris af zou ronden, werd hij weggestuurd, hij was te tegendraads. Wel werd hij in 1966 tot priester gewijd. Hij was kapelaan in het bisdom Breda. Hofman: “Maar ook daar liep het al gauw fout. Ik zei verkeerde dingen vanaf de preekstoel, vonden ze. De rol van leidsman lag me ook niet. Kwamen er vrouwen vragen of ze aan geboortebeperking mochten doen, aan mij, stel je voor. Of een dokter wilde weten of hij aan euthanasie mocht doen!“ Hofman ontdekte dat hij helemaal geen antwoorden wilde geven. In 1978 liet hij zich officieel uitschrijven uit de roomskatholieke kerk.

“Op reis met Wim Hofman'; t/m 6 aug in het Letterkundig Museum; Prins Willem-Alexanderhof 5; Den Haag; inl. 070-3339666 & www.letterkundigmuseum.nlDe boeken van Wim Hofman verschijnen bij uitgeverij Querido.

Op 2 febr verscheen “Wim zonder titel, het beeldend werk van Wim Hofman'; samenstelling Bo de Jong; tekst: Jan van Damme/Ernst Jan Rozendaal, uitg. De Drukkery, Middelburg; www.stoorworm.nl