Waar is het podium

Dit weekend is het negentig jaar geleden dat in Zürich het Cabaret Voltaire openging. Dada-kunstenaars droegen er voor uit hun werk. Na met sloop te zijn bedreigd, is het nu gerestaureerd. Maar veel origineels is er niet meer te vinden.

de resten van de sneeuw van gisteren liggen nog op straat. Om twaalf uur 's middags is het druk in de Bahnhofstrasse in Zürich. Mannen, vrouwen en een enkele dame in bontjas zijn op weg naar kantoor of een vroege lunch, of gaan naar Prada, Dior en de andere luxe winkels in een der duurste straten ter wereld. Of ze drinken koffie in Confiserie Sprüngli, waar ze kunnen snoepen van verse Luxemburgerli, de beroemde kleurige minikoekjes van bros schuim en crème. Waarschijnlijk weet geen van hen dat daar negentig jaar geleden een van Zürichs revolutionaire dada-happenings werd gehouden.

In 1916 woedde de Eerste Wereldoorlog in alle buurlanden van Zwitserland. Dienstweigeraars, kunstenaars en intellectuelen vluchtten naar steden als Genève en Zürich. Zoals de Duitser Hugo Ball, die aan het front had gevochten, maar tot inkeer was gekomen. Zijn landgenoot Richard Huelsenbeck vluchtte voor de dienstplicht. De Roemenen Tristan Tzara en Marcel Janco waren vooral naar Zürich gekomen omdat de moderne tijd daar dichterbij was. Hans Arp woonde en werkte er al een tijdje. Italiaanse futuristen en Franse kubisten vonden er galeries - Picasso had in Zürich voor de oorlog al een expositie. Maar buiten de kleine kring van jonge kunstenaars en avontuurlijke burgers maakte die weinig indruk. Voor de 200.000 inwoners van Zürich ging het leven gewoon door, ook toen in 1916 bij Verdun en aan het Russische front honderdduizenden jongemannen sneuvelden. Bovendien waren de kunstenaars veelal vreemden, emigranten met een eigen vriendenkring. Tussen de meer dan 50.000 andere vluchtelingen in de stad vielen ze amper op.

Sepp Wimmer, de waard van het zeshonderd jaar oude Zunfthaus zur Waag is verbaasd. “Dada? Die kunstenaars? Zijn die hier geweest? Maar dit is een voornaam huis, altijd geweest, ook in 1916. Weet u het zeker? Er is in Zürich wel een dada-hotel, aan de overkant van de rivier aan de Limmat-Quai. Een vriend van me werkt er. Ze hebben er kamers dada ingericht.“ De waard houdt van historie, zegt hij. “Richard Wagner kwam hier vaak eten en we krijgen binnenkort wat meubels uit zijn villa.“ Wimmer had graag van de dada-soiree in zijn Waag geweten.

Nadat hij de pagina uit een boek over dada in Zürich heeft bekeken gaat hij voor naar de zaal waar het wellicht plaatsvond. Niet in het voorname 3-sterrenrestaurant op de eerste etage, waar het vol zit met klanten. Waarschijnlijk ook niet op de tweede etage van het oude gildehuis. Nog een trap hoger komen we bij een brede zaal met glas-in-loodramen over de volle breedte van de gevel. Een houten vloer van brede balken. Een lange tafel met witte lakens in het midden. Er omheen vijfentwintig stoelen in witte hoezen. Zou Tristan Tzara hier twee weken na de sluiting van het Cabaret Voltaire een dada-avond hebben gehouden?

Voor het echte begin van dada moeten we aan de overkant van de rivier zijn, in de oude uitgaanswijk Niederdorf. De in Arnhem geboren Johan Ephraim had daar in de Spiegelgasse het café-restaurant Meierei gekocht, dat hij de Holländische Weinstube noemde. Er was een zaaltje met ruimte voor een man of vijftig, waar hij al eens het literaire cabaret Pantagruel had laten optreden. Dit was hem zo goed bevallen, dat hij nu wel iets zag in het voorstel dat Hugo Ball hem in januari 1916 deed om er dagelijks, behalve op vrijdag, een artistiek en literair cabaret te houden. Ball zou voor het programma zorgen en de extra omzet was voor de cafébaas.

Hugo Ball had voor de oorlog veel ervaring opgedaan met cabarets en theaters in Berlijn en München. In die tijd ging hij om met Kandinsky en de kunstenaars van de Blaue Reiter. Sinds zijn vlucht in mei 1915 naar Zwitserland had hij geld verdiend als cabaretpianist. Zijn vrouw Emmy Hennings was er een tamelijk bekende variété-danseres.

Op 3 februari 1916 schrijft de Neue Zürcher Zeitung onder het kopje “Cabaret Voltaire': “Onder deze naam heeft zich in de zaal van de Meierei aan de Spiegelgasse een gezelschap jonge kunstenaars en schrijvers gevestigd, wier doel het is een middelpunt voor kunstvermaak en geestelijke uitwisseling te zijn.“ Tijdens de dagelijkse bijeenkomsten zullen de als gasten aanwezige kunstenaars hun werk voordragen. “Iedereen is welkom en de opening is aanstaande zaterdag 5 februari“, besluit het artikeltje.

Cultureel centrum

Zondag is het precies negentig jaar geleden dat het Cabaret Voltaire opende en het wonderlijke is dat het sinds anderhalf jaar opnieuw bestaat. Vier jaar geleden wilde de eigenaar, een Zwitsers verzekeringsbedrijf, het zevenhonderd jaar oude pand rigoureus verbouwen. De alternatieve scene van Zürichse krakers en kunstenaars greep in, bezette het gebouw op 2 februari 2002 en hield er drie maanden lang neo-dadaïstisch huis met feesten en internationale optredens en exposities. De oprichter van het horlogemerk Swatch en daarna ook de burgemeester van Zürich begrepen de boodschap en zorgden voor het geld om van de oude ruimtes een cultureel centrum te maken dat in september 2004 opende. De geplande appartementen op de hogere etages zijn wel gerealiseerd.

“Cabaret Voltaire' staat er nu met zwarte letters op de crèmekleurige gevel van het hoge, wat gebogen hoekhuis in een middeleeuws winkelstraatje zonder veel bravoure. Ernaast is een jazzclub. Verderop een wijnhandel (“sinds 1878'), een verlopen tabakszaakje, een vage kledingwinkel, een filiaal van de geurige zeephandel Lush en een paar antiquariaten. In de Spiegelgasse, het omhooglopende zijstraatje, is de ingang naar de zaal waar het allemaal gebeurde. Door de ruiten zie ik vrouwen aanschuiven aan campingtafeltjes voor de lunch. Serveersters in witte uniformen lopen rond met volle bladen. Het roemruchte Cabaret Voltaire een lunchadresje? “In diesem Haus wurde am 5. Febr. 1916 das Cabaret Voltaire eröffnet und der dadaismus begründet“, staat op een door Arp ontworpen gedenkschild naast de deur. Dit is dus toch echt de goede plaats.

Philipp Meier heeft sinds anderhalf jaar de leiding van Cabaret Voltaire. “Spiegelgasse 1 is een historische plaats, maar je kunt dada toch niet gedenken met een bedevaartsoord voor toeristen? Cabaret Voltaire zou iets anno nu moeten betekenen, een plaats voor vooruitstrevende kunst.“ Maar Zürich is geen onderontwikkelde stad. Iedere avond kan de cultuurliefhebber kiezen uit zeventig mogelijkheden, pochtte burgemeester Ledergerber onlangs in een interview. Cabaret Voltaire kan daar niet makkelijk iets aan toevoegen. Meier is nog op zoek naar de juiste weg en heeft daar nog krap vier jaar de tijd voor. Dan houdt de jaarlijkse bijdrage van 300.000 euro van Swatch op en stopt mogelijk ook de gemeentelijke huursubsidie.

Meiers hart ligt bij het nieuwe, maar aan het dada-verleden doet hij ook wel iets. Er zijn exposities, zoals nu over dada-kunstenares Elsa von Freytag-Loringhoven, en maandelijkse avonden waarop deskundigen als “huisdadaloog' Raimund Meyer lezingen houden over dada-onderwerpen.

Meier worstelt met de “spagaat' tussen verleden en nu. Bovendien is er weinig over van de dada-tijd. Na de laatste avond van Cabaret Voltaire is er altijd horeca in het gebouw gebleven. Er is steeds weer verbouwd. Neem het stucwerk in het cafédeel. Bij de restauratie twee jaar geleden is het met rust gelaten, maar denk niet dat Tzara of Ball het ooit hebben gezien. In het cement zit een plastic elektriciteitsbuis die nog geen twintig jaar oud kan zijn. Het latje met spijkergaten zou ouder kunnen zijn en de bakstenen lijken dat zeker, maar van deze ruimte herinnert nog maar weinig aan 1916. Ja, de muren staan op dezelfde plaats. Zij hebben ooit de stem van Hugo Ball gehoord en in hen trilt een wild gedicht van Tristan Tzara nog stilletjes na.

“Er komen hier misschien vijf of tien mensen per week om de historische locatie te zien“, zegt Meier. Alllemaal vragen ze wat er over is van toen en steeds moet hij ze teleurstellen. “De muren en de ruimtes. Die wandschildering beneden bij de trap? Waarschijnlijk niet, maar het zou kunnen. Niemand weet het.“

Ook de grote zaal is al die jaren voortdurend gebruikt en verbouwd. Het laatst door de krakers van 2002. Meier wijst op de resten van hun affiches die nog aan de muren hangen. “De architecten hebben bij de renovatie de ruimtes geconserveerd zoals ze die aantroffen. Dat was het maximale dat ze konden doen.“ De bar, de toiletten, de bibliotheek en het winkeltje zijn er als bijna losse modules tussen geplaatst.

Geen gedenkplaats

Philipp Meier gruwt bij de gedachte aan Cabaret Voltaire als een pure gedenkplaats, zoals in Duitsland het geval is bij talloze huizen die zijn ingericht als toen Goethe er woonde of er een nacht doorbracht. Het zal ook niet gaan. “We weten niet eens waar het podium stond.“

Leraar Duits en dada-kenner Raimund Meyer moet toegeven dat er te weinig bekend is voor een reconstructie. Er is een foto van een schilderij van Marcel Janco met een drukke avond in Cabaret Voltaire. Het origineel is zoekgeraakt in Roemenië. Je ziet erop hoe een man of dertig zich uitstekend vermaken. Maar de voorstelling is te vaag om te besluiten of het podiumpje nu aan de korte of lange zijde was. “Volgens sommigen moet het links hebben gestaan, omdat ergens in een brief sprake is van een doorgang naar de keuken“, zegt Meyer. Ook hij heeft het over de spagaat, maar zou graag juist wat meer aandacht voor de historie zien. In de grote zaal omarmt hij altijd een van de zuilen. “Die zijn het enige waarvan ik zeker weet dat het er toen ook stond.“

Dat ene schilderij is, afgezien van ontzettend veel affiches, uitnodigingen, advertenties, manifesten, boeken, dichtbundels, vlugschriften, en krantenstukjes (het Kunsthaus in Zürich heeft een fantastische collectie), eigenlijk de enige afbeelding van Cabaret Voltaire. Er is nog één schitterende foto van Hugo Ball die een gedicht voordraagt in kubistische kledij met cilinderhoed en stijve kartonnen cape, maar die kan volgens Meyer ook later in 1916 zijn gemaakt op een van de dada-soirees zoals in de Waag. Verder is uit beschrijvingen bekend dat de muren van het cabaret zwart waren en het plafond paars, of blauw.

Wel weten we volgens Meyer vrij goed wat er die allereerste avond op het podium gebeurde, dankzij recensies in de krant en notities van Hugo Ball. “Ball kwam op en droeg voor, iets van Voltaire en Wedekind, en eigen werk. Tzara droeg iets voor van papiertjes die hij volgens Ball “niet onsympathiek' uit zijn zakken opdiepte. Janco was 's middags met zijn broer gekomen om hun schilderijen op te hangen. Net als Arp. Alles was welkom, iedereen die wat kon. Er was die eerste avond een balalaika-orkest, waar veel over gesproken werd. We weten ook dat een van de muzikanten een uitstekende solo gaf. In de zaal hingen overal schilderijen, van Picasso, Oppenheimer, Van Rees, Modigliani, Giacometti. Emmy Hennings zong liederen. Op de piano werd iets van Saint-Saëns en Rachmaninov gespeeld.“

In de loop van juni was Hugo Ball doodmoe van iedere avond weer een cabaret organiseren. De voorstellingen werden wilder en wilder. Vooral de net twintigjarige Tristan Tzara was onvermoeibaar. Het was totaaltheater in totale vrijheid. Simultane gedichten, maskerdansen, negermuziek. Geld wordt er niet verdiend, Ball en zijn aan morfine verslaafde vrouw kunnen amper rondkomen.

Op 1 juli maakt waard Ephraim na vijf maanden een einde aan Cabaret Voltaire. Ball en Hennings gaan op tournee naar andere Zwitserse steden en Tzara neemt het heft in handen. Op 14 juli is de eerste soiree in Zunfthaus zur Waag. Vele zullen volgen. Schrijvers, dichters, dansers, muzikanten en schilders uit alle landen komen naar de soirees. De vonk slaat over naar New York waar Stiglitz, Picabia en Duchamp met vergelijkbare dingen bezig zijn. In 1918 gaat Huelsenbeck terug naar Berlijn waar mensen als Georg Grosz en vooral Raoul Hausmann de beweging voortzetten. In Hannover werkt Kurt Schwitters aan zijn eigen “merz'-dada. In 1919 verspreidt Tzara de dada-gedachte naar Parijs, waar Breton en zijn vrienden dada omarmen. In 1923 zijn er overal tournees, tot aan het Friese plaatsje Drachten toe. Een jaar later eindigt dada met een vechtpartij in een zaal in Parijs waarbij één kunstenaar een arm breekt als Breton een dada-act van Picabia niet langer kan aanzien en het podium opstormt. Zürich was eind 1919 al weer dada-vrij, maar de kunst werd er voor altijd door veranderd.

Dat is nu negentig jaar geleden, maar conservator Tobi Bezolla van het Kunsthaus Zürich vindt het geen reden om iets te vieren. “We hebben net de prachtige dada-expositie in Centre Pompidou in Parijs gehad, waar 250 stukken uit onze collectie te zien waren.“ Over tien jaar komt er in Zürich wel een grote tentoonstelling, belooft hij.

Verjaardagsfeestje

Philipp Meier geeft op 5 februari een verjaardagsfeestje in Cabaret Voltaire. Dan wordt Dada namelijk 1 jaar. Een jaar geleden hebben de ouders van het jongetje Dada Kim Osarimen 10.000 Zwitserse francs gekregen om hun kind die voornaam te geven, een idee van de Zwitserse post-dada kunstenaars Com & Com. Zo moet dada voortleven als eerste ready made van vlees en bloed (zie www.gugusdada.ch - gugusdada is de Zwitserse variant van kiekeboe).

Pastor Leumund, de actienaam van een van de bezetters van 2002, die nu actief is bij de reddingspoging van het Berlijnse Palast der Republik, zegt dat hij ook dit jaar graag de verjaardag van dada had gevierd. De voormalige bezetters hebben sinds hun actie jaarlijks rond 5 februari een dada-week gehouden. Door tegenwerking van de stad zijn ze daar nu mee gestopt. Dada staat voor Leumund nog altijd voor het terugbrengen van de kunst naar het dagelijks leven, zonder elitaire pretenties. “We wilden in 2002 geen museum voor dada bouwen maar een vrijplaats creëren voor door dada geïnspireerde kunst.“ Het huidige cabaret Voltaire beschouwt hij als “verraad' aan dada en een uitverkoop van de mogelijkheden die in 2002 waren geschapen. Volgens hem is bij Cabaret Voltaire niemand oprecht in dada geïnteresseerd. Half berustend: “Iedere rebellie eindigt vroeger of later in een vitrine, maar zelfs daar kunnen mensen er door geïnspireerd raken, en zo de ideeën weer een plaats geven in het leven.“