Thatcher en synchroonzwemmen

De meeste literaire critici in ons land komen uit de literatuur. Dat wil zeggen: ze hebben doorgaans Nederlands gestudeerd en zijn pas daarna in de journalistiek beland. Max Pam komt uit de journalistiek. Van huis zelfs: zijn ouders waren “het eerste Parool-huwelijk', hij werd hun “liefdeskind'. Het schrijven van recensies is dan ook maar één van zijn journalistieke activiteiten. Dat leert, voor wie het nog niet wist, De armen van de inktvis, een vuistdikke selectie uit Pams journalistieke werk, samengesteld door zijn bewonderaar Dap Hartmann.

Behalve recensies staan er interviews en columns in. En het geheel opent met een zeer heterogene categorie die “verhalen' wordt genoemd. Hier kwam ik de grootste verrassingen tegen, zoals een schitterend stuk over de Weense zonderling Otto Weininger en een meeslepend portret van Dirk Hannema, de ex-directeur van Museum Boymans Van Beuningen en het meest tragische slachtoffer van meestervervalser Han van Meegeren. Geen krant of weekblad waarin een artikel van zo'n omvang (ruim 40 dichtbedrukte bladzijden) nu nog zou worden opgenomen, maar aan de kwaliteit kan het in dit geval niet liggen.

Temidden van deze “verhalen' duikt Pams belangstelling voor de literatuur op. Nog niet zozeer voor boeken en schrijvers, maar voor subsidies en jury's. Daaruit spreekt een monter wantrouwen, passend bij de journalist die zich heeft voorgenomen om de macht te controleren. Met verve speelt Pam de buitenstaander, die onverwachts een kluwen konkelende insiders onder ogen krijgt. Die rol is hij blijven spelen, ook nadat hij als vaste criticus van HP/De Tijd allang zelf een insider was geworden. In Pams recensies klinkt steeds de - meestal onuitgesproken - boodschap: lezer, iedereen probeert u wat wijs te maken, maar ik zeg waar het op staat; ik ga niet in jury's zitten en met literaire dineetjes ben ik niet te paaien, ik eet thuis wel een boterham.

Deze buitenstaandersrol komt niet alleen uit de journalistiek, het is ook de rol die Pams grote helden en voorbeelden hebben verkozen: W.F. Hermans, Van het Reve (2x), Rudy Kousbroek en Jan-Hein Donner (naar aanleiding van wie ook de schaker Pam even in beeld komt). Pam is hun leerling, zij het bij Gerard Reve en Donner met de nodige reserves. Zo moet Pam niets hebben van humbug en bijgeloof (en vrijwel elke pretentie is in zijn ogen humbug, elk geloof bijgeloof), wat moeilijk te rijmen valt met Reves katholicisme en Donners cryptische studies van Mulisch' werk. Pams houding tegenover Mulisch (die in de index de meeste verwijzingen heeft!) is overigens een verhaal apart, dat nog het best kan worden samengevat met zijn ambivalente kwalificatie van Mulisch' roman Siegfried als “briljante onzin'.

Carel Peeters heeft ooit in verband met een aantal van de bovengenoemden gesproken van “hogere bekrompenheid'. Een treffende typering, al mag wat mij betreft dat “hogere' soms achterwege blijven. Bij Pam bijvoorbeeld zodra de filosofie ter sprake komt: niet als hij in navolging van Hermans de lof van Wittgenstein zingt, wél als het gaat over Heidegger, voor wie hij een merkwaardige fascinatie aan de dag legt. Hij bekent zelfs tot twee keer toe een poging te hebben gewaagd Sein und Zeit te lezen - zonder ooit verder dan blz. 28 te zijn gekomen. Maar dit dubbele echec verhindert hem niet om pontificaal zijn zegje te doen. Om het netjes uit te drukken: de behoefte aan een markant standpunt heeft het hier volledig gewonnen van de bescheidenheid, die bij zo weinig kennis van zaken op zijn plaats was geweest.

In dit schaamteloze van niets weten en toch hoog van de toren blazen laat zich moeiteloos de invloed van Karel van het Reve herkennen, misschien wel Pams grootste voorbeeld. Ook de roep om meer “humor', die in Pams recensies herhaaldelijk te beluisteren valt, heeft vast de warme instemming van Van het Reve gehad, evenals die van zijn overige helden. Literatuur is voor Pam op haar best als zij hem aan het lachen maakt. Toch lijkt me deze eis tegenwoordig, nu op vrijwel alle televisiezenders de dominees en pastoors definitief zijn vervangen door de cabaretiers, iets van zijn urgentie te zijn kwijtgeraakt. Zelfs Pam roept in een van zijn recensies uit: “Weg met het cabaret in de literatuur!'

Het is ongetwijfeld ironisch bedoeld, want Pam blijkt in deze bundel allerminst afkerig van literair cabaret; hij bedrijft het zelf. In zijn recensies, waar het minder op zijn plaats is (ik lees liever een vernuftige analyse), maar vooral in zijn columns, waar het dat wél is. Met alle waardering voor de “verhalen' en de interviews (vooral die met Hermans zijn geweldig), lijkt me de column hét journalistieke genre waarin Pam excelleert. Zijn wantrouwen, zijn strong opinions, zijn geestigheid en zelfs zijn bekrompenheid zijn er volledig op hun plaats. Een columnist moet amuseren, aan het lachen maken, prikkelen, uitdagen; zijn gelijk is minder belangrijk dan de mate waarin hij zijn lezers uit hun tent weet te lokken. In een column is alles gericht op het directe effect, maar als het goed is gedaan kan de lezer er ook nog een tijdje over nadenken, alvorens verder te gaan met het buitenlands nieuws of de beursberichten.

In het nawoord van Hartmann lees ik dat er van de “vele duizenden columns' van Pam slechts 135 een plaats in deze bundel hebben gekregen. Dat is niet veel, maar ze geven wél een indruk van Pams bereik als columnist, dat groot genoeg is om het sex-appeal van Margaret Thatcher, de deugden van de discriminatie, een persiflage op Raster, de diefstal van zijn auto, de beschamende 45 cent waarop zijn in Sobibor vermoorde grootvader na de oorlog recht blijkt te hebben, de “lach van het leedvermaak' bij Hermans en Reve, het synchroonzwemmen met als thema de holocaust, de wandaden van zijn favoriete bête noir Walter Etty en de opkomst van Pim Fortuyn (inclusief de voorspelling van een “enorm drama') te omvatten. En dit is nog maar een minimale, willekeurige greep uit de voorraad.

Het is waar: net als het cabaret, beleeft ook de column een onwaarschijnlijke wildgroei, maar dat kun je Max Pam niet kwalijk nemen. Hij is al jaren lang een meester van het genre. De krant die hem als columnist in huis heeft, mag zich gelukkig prijzen.

Max Pam: De armen van de inktvis. Een keuze uit het journalistieke werk. Samengesteld door Dap Hartmann. Prometheus, 608 blz. euro 29,95.