Sukkel de Pukkel, zullen we nog even kroelen?

JOHANNESBURG/PARIJS/NEW YORK. Het merkwaardigste hotel ooit door mij bezocht is het Transithotel in Johannesburg. Het gaat, zoals de naam al aangeeft, om een zogenaamd vliegveldhotel. Men hoeft niet door de douane om bij de receptie te komen. Een lift naar de vierde verdieping volstaat.

Kamers, allemaal identiek, zijn voor zes, twaalf of vierentwintig uur te huur. De kamer heeft een raam, maar het kijkt nergens op uit.

Roomservice bestaat niet. Een minibar evenmin. Wel kun je er water koken. Naast de tv staan theezakjes en oploskoffie.

We moesten zes uur in Johannesburg wachten op onze vlucht naar Parijs en aangezien mijn voeten nog altijd zo opgezwollen waren dat ze nauwelijks in mijn schoenen paste, zei ik: “Laten we naar het Transithotel gaan.“

Zittend op bed trok ik schoenen, sokken en broek uit.

Nu begon de behandeling.

Marieke pakte de fles waterstofperoxide. Ik deed mijn bril af, het was geen prettig gezicht.

Met behulp van een glaasje werden de wonden op mijn voeten onder de waterstofperoxide gezet. Het spul borrelde, en deed iets - wat precies weet ik niet - het losweken van huid, vermoedde ik.

Wanneer de waterstofperoxide ophield met borrelen, had de dokter gezegd, kon de huid voorzichtig worden strak getrokken.

Dit strak trekken was ondanks de pijnstillers onaangenaam. Ik liet het aan Marieke over. Mijn verzoek aan haar me rond te rijden door de woestijn was uitgelopen in het schoonmaken van mijn wonden. Drie weken leefden we nu op elkaars lip. Met uitzondering van een paar uurtjes in de namiddag, als ik schreef, en zij met iPod en studieboeken onder haar arm vertrok, zonder te zeggen waarheen. Tegen de tijd dat ik weer was was uitgeschreven, kreeg ik wel eens sms-en, met teksten als: “Lieve amant, ben met leuke Italiaan alvast richting Mariental gereden, hoop dat je 't niet erg vindt deze reis alleen af te maken. Kus op buik.'

Af en toe schreeuwde ik. “Strak trekken, zei de dokter, niet knijpen.“

Ach, in het Transithotel was men vast wat gewend.

“Er komt niets meer uit“, zei Marieke. “De pus is op.“

Ze ging naar de badkamer.

Zo rond zevenen, als er gegeten ging worden, kwam ze meestal weer terug naar het hotel. Ik vermoed dat de honger haar in mijn richting dreef. Veel is op mij af te dingen en aan te merken, maar ik zet de mensen behoorlijk eten voor. Dat kan niet van alle mannen worden gezegd.

“De zalf'“, riep ik, “je moet de zalf er nog op smeren.“

Met natte handen kwam ze uit de badkamer.

Ze smeerde behoedzaam op wat rood en ontstoken was.

“Misschien moet je dat ook eens met pukkels doen“, zei ze, “de huid strak trekken.“

“Ik heb geen pukkels. Dat heb ik je al honderd keer gezegd. Dat zijn fata morgana's. Ik ben misschien ziek aan mijn voeten, maar jij bent ook niet helemaal gezond.“

Met de medicijnen die we in het katholieke ziekenhuis van Windhoek hadden moeten aanschaffen, verdween ze weer richting badkamer.

Een enkele keer tijdens het avondeten vroeg ik wel eens: “Zeg hoe zit dat met die Italiaan? Ik dacht dat je met hem naar Mariental zou rijden?“

Ze haalde haar schouders op. “Hij was toch maar leuk voor eventjes.“

Omdat ik vond dat ik naast al het andere ook een opvoedkundige taak had, zei ik alleen nog: “Denk je aan de boeken die je deze reis zou uitlezen?“

Hier in het Transithotel eindigde onze reis en er waren weinig boeken uitgelezen. Goed, we zouden nog een dag in Parijs doorbrengen, maar wat kon daarvan worden verwacht, op het gebied van uitlezen.

“Ik heb“, zei ze, “al je medicijnen in dit zakje gedaan. Jij moet ze nu bij je houden.“

“Doe maar in mijn tas“, fluisterde ik. Zieke mensen, vind ik, horen veel te fluisteren.

“Sukkel de Pukkel“, zei ze, “zullen we nog even kroelen?“

Kroelen, is een woord dat ik aan deze reis heb overgehouden. Daarvoor gebruikte ik het zelden. Volgens mij komt het in mijn oeuvre, tot op heden, niet voor. Marieke daarentegen gebruikt het vaak. Kroelen is bij haar vrijen noch knuffelen. Het is iets wat het midden houdt tussen doodgeknepen en doodgekust te worden. Iets wat bij gebrek aan betere benamingen maar warmte-therapie moet worden genoemd. Want je gaat er erg van zweten, kroelen. Vooral in Afrika.

Eigenlijk gaat het me helemaal niet om het kroelen, maar om dat Pukkel de Sukkel.

Is men nu nog verwonderd over mijn bezwaren tegen het huwelijk en samenwonen?

Wie wil in zijn eigen woonkamer Pukkel de Sukkel worden genoemd?

“Respect!“ antwoordde ik. “Marieke, respect. Niet alleen ben ik ouder, intelligenter en mooier dan jij, ik zorg ook niet voor verstopte wc's in een land als Namibië, waar ze al genoeg problemen en watergebrek hebben.“

Dat van die wc was een heikel punt. Één hotel hadden we om die reden voortijdig verlaten. “Ik zie maar één manier hoe ze dit probleem gaan oplossen“, had ik gezegd. “Ze gaan het gehele toilet volledig afbreken, om het dan weer van de grond af aan op te bouwen.“

Op maandagochtend 16 januari in alle vroegte landden wij op het vliegveld van Parijs.

Nergens zijn mensen lelijker en onverzorgder dan op vliegvelden, vooral rondom de bagageband. Zij die wachten op hereniging met hun koffer hebben elk gevoel voor decorum laten varen.

Mariekes koffer miste een wiel.

We namen een taxi naar het Saint James Hotel, aanbevolen door mijn juridisch adviseur, die van wanten weet als het gaat om hotels.

Ik had weer de beschikking over internet, mijn boek moest ten einde worden geschreven, Marieke kon gaan afstuderen. Het leven ging, godzijdank, verder. Je moet er niet aan denken voor altijd in een jeep door de woestijn te trekken. Maar hoe verder?

“Het was een geslaagde reis“, zei ik in de ontbijtzaal van Saint James, “het had erger gekund.“

Op de heenweg hadden we op het vliegveld van Parijs twee vingerpoppetjes gekocht.

Mensen hebben soms moeilijke dingen met elkaar te bespreken, en het leek Marieke wenselijk dat wij de moeilijke dingen via een vingerpoppetje bespreekbaar zouden maken.

Het idee was charmant. Al zullen velen die ons in openbare gelegenheden met de vingerpoppen in de weer hebben gezien gedacht hebben dat we gestoord en krankzinnig zijn. Zeg maar gerust: ziek in het hoofd.

Totaal ongelijk kan ik die mensen niet geven.

“Ik geloof dat dit het moment is om de vingerpoppetjes tevoorschijn te halen“, zei ik.

En zo verliep het afscheid als een licht weemoedige entr'acte tussen twee volwassenen, of semi-volwassenen, en twee vingerpoppetjes. “Dat je een beetje naar Chinese loempiaatjes ruikt“, zei ik, “vond ik op den duur wel een pluspunt.“

“Neem jij de poppen maar mee“, zei ik nadat alle plus- en minpunten waren opgesomd.

Terug in New York was het leven weer georganiseerd. Productief. Op vaste tijden werd er geschreven, gelezen en gegeten. Geen tijdverlies vanwege kroelen.

Om te ontwennen stuurden wij elkaar sms-en en e-mails, in de verwachting dat de frequentie van 't een en ander zou afnemen.

Af en toe werd ik wakker met een bericht als: “Amant, dit ben ik, met mijn bondmuts op. Het is hier heel koud.“

Waarop ik antwoordde: “Het is bontmuts. Soms ga je echt te ver.“

Of andere berichten: “Amant, vannacht bleef James slapen. Ik vond het een beetje merkwaardig dat hij me aanraakte, maar ik ga toch ook niet zeggen, ga maar op een matje op de grond liggen. Dat gaat me wat te ver.“

De frequentie van de e-mails nam dus niet af, eerder toe.

Maar één ding is zeker: kijken naar een foto van een vrouw met bondmuts kost minder tijd dan kroelen.

En nog iets: uit ervaring weet ik dat je mensen inderdaad niet op de grond op een matje moet laten liggen. Dat gaat te ver.

Dat heb ik Marieke ook gezegd.