Overdrijven kan ook kunst zijn

Elfriede Jelinek? Het hangt van de hoeveelheid af.

Honderd of tweehonderd bladzijden zijn amusant en prikkelend, daarna ontstaan er twijfels of mogelijk al irritatie - in het bijna zevenhonderd bladzijden tellende Die Kinder der Toten (1995) voelde ik mij ooit gedetineerd. Jelineks gekunstelde stijl en haar beperkte, eenzijdige wereldbeeld gedijen het beste op de korte afstand, en je moet wel een doorgewinterde liefhebber zijn om haar cynisme en zwartgalligheden langer dan 300 bladzijden uit te houden.

Maar er zijn nog andere redenen waarom haar dikke boeken uit de laatste tien of vijftien jaar - Gier (2000) vormde een absoluut dieptepunt - duidelijk minder zijn dan haar korte romans Die Klavierspielerin (1983), Die Ausgesperrten (1980) of het nu vertaalde Die Liebhaberinnen uit 1975.

In de jaren negentig is de Oostenrijkse Nobelprijswinnares steeds associatiever en allegorischer gaan schrijven, de handeling werd minder belangrijk of zelfs overwoekerd door uitweidingen en terzijdes. Ook haar hang naar goedkope woordspelingen is steeds manifester geworden. Hetzelfde geldt voor de toespelingen op bekende schrijvers en filosofen, die vaak nauwelijks het triviale cliché ontstijgen.

Drie centrale thema's heeft Jelinek: het onverwerkte nationaal-socialistische verleden van Oostenrijk; de vreemdelingenhaat en het antisemitisme van haar landgenoten; het patriarchaat of de onderdrukking van de vrouw door de man. Maar het is opvallend dat de vrouwen bij Jelinek net zo negatief worden afgebeeld als de mannen - zoals natuurlijk alles bij haar negatief is. “Ik ben geen positief schrijvende auteur, als ik het probeer wordt het meteen ongenietbaar“, zei de schrijfster ooit in een interview. En ze voegde er nog aan toe: “Mijn literaire techniek ligt in het negativisme, in een satirische verbuiging van de werkelijkheid en in het op de spits drijven van de realiteit.“

Beter had ze haar werk niet kunnen typeren. Jelinek drijft op de spits en verdraait de werkelijkheid, ze provoceert en choqueert naar hartelust en zou daarmee haar gestorven landgenoot Thomas Bernhard de hand kunnen geven, die zich zelf ooit typeerde als een “Übertreibungskünstler'. Ook in het nu vertaalde Liefhebben , waarmee ze dertig jaar geleden op slag beroemd werd, wijkt ze niet af van die poëtica.

Men zou Liefhebben een parodie op de triviale liefdesroman kunnen noemen, zoals Lust (1989) een parodie op de pornografie was. Triviaal is echter alleen de inhoud, stijl en vorm zijn hoogst vernuftig en artificieel. Jelinek beschrijft het leven van twee jonge vrouwen. Brigitte woont in de stad en werkt als naaister op een atelier, Paula leeft op het platteland en wil graag kleermaakster worden. Brigitte doet er alles aan om te klimmen op de sociale ladder, ze trouwt met een degelijke elektricien, krijgt kinderen en wordt gelukkig. “Geluk en succes zijn Brigitte goedgezind', luidt het ironische commentaar van de vertelster. Paula is daarentegen een droomster, een stuk naïever dan haar tegenhangster. Ze trouwt met de houthakker Erich, ziet diens alcoholisme door de vingers, moet bijverdienen in de prostitutie en wordt door haar man verlaten. Paula eindigt waar Brigitte begon: als naaister in een textielfabriek (“Geluk en succes zijn Paula niet goedgezind').

De hele roman bestaat uit een spel met clichés en stereotypen. Het wereldbeeld van de beide vrouwen wordt bepaald door populaire bladen, televisie, schlagers en ander plat amusement. Brigitte probeert door zwangerschap en kinderen haar vriend aan zich te binden; Paula droomt van vakanties in Italië en een eigen huis. Van psychologiseren is nergens sprake in de soms op slapstick lijkende korte scènes. Beide vrouwen zijn eerder typen dan individuen (zoals altijd bij Jelinek), bijna marionetten in de handen van de schrijfster die over hen wikt en beschikt.

Technisch volmaakt, hoewel volslagen kunstmatig, is de vorm van deze roman. Jelinek vertelt de biografieën van de beide hoofdpersonen alternerend, in ieder hoofdstukje verandert ze van perspectief; alleen in het fragment “De bruiloft' vallen de levenslopen kort samen. Het ironische “nawoord' is deels een letterlijke herhaling van het “voorwoord', de onontkoombaarheid van beide levenslopen wordt hierdoor nog eens extra benadrukt.

Voor nog meer distantie zorgt de cynische stijl van Jelinek, van oudsher haar handelsmerk. Hoe men ook over het wereldbeeld van deze schrijfster mag oordelen, de manier waarop ze met taal omgaat is bij vlagen virtuoos en niet zelden onweerstaanbaar (zwart-)komisch. In Liefhebben vallen naast haar vaste bestanddelen als taalgrappen, slang en uit hun verband gerukte citaten vooral de vele opzettelijke herhalingen en de soms staccato-achtige zinnen op. De ervaren Jelinek-vertaalster Ria van Hengel heeft zich ook nu weer uitstekend van haar taak gekweten. Slechts zelden vertaalt ze net iets te vrij of kun je haar op kleine vergissingen betrappen; op bladzijde 68 is een passage weggevallen, en een “gespickter Rehrücken' is geen “doorregen reerug' maar een “gelardeerde reerug'. Voor de bijna onvertaalbare woordspelingen en voor het typische Oostenrijkse taaleigen heeft ze daarentegen voortreffelijke, vaak heel vindingrijke oplossingen bedacht. Een bewonderenswaardige prestatie.

Elfriede Jelinek: Liefhebben. Uit het Duits vertaald door Ria van Hengel. Van Gennep, 175 blz. euro 14,90