Oorlog voorbij, broek weer uit

Zeg Sarah Waters en je zegt “19de eeuw'. In haar drie romans profileerde de Britse schrijfster zich als een aanstekelijke schrijver van quasi-Victoriaanse verhalen, waarvan ze de literaire conventies kundig ondermijnde met elementen die in echte Victoriaanse romans geen plaats kregen: vanzelfsprekend lesbische hoofdpersonen, prostitutie, de positie van vrouwen en het klassenvraagstuk. Haar debuut, Tipping the Velvet uit 1998, veroorzaakte een sensatie als onproblematische “lesbische historische schelmenroman', een niet eerder vertoond genre. Affinity en Fingersmith speelden vroeger in de 19de eeuw, spannende thrillers met een complexe verhaallijn en een donkere, gothic ondertoon. “Faux-historische romans', noemde Waters zelf het genre dat ze beoefende en dat zo populair bleek bij haar lezers.

Met haar zojuist verschenen vierde roman, The Night Watch, slaat Waters een nieuwe richting in. Niet alleen speelt het boek tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, ook is de toon navenant somberder, haar stijl soberder, en heeft “faux' plaatsgemaakt voor realisme.

The Night Watch begint in 1947, en volgt de levens van vier personen, alle vier ongelukkig, alle vier met een getroebleerd verleden. De heldhaftige Kay bestuurde tijdens de oorlog een ambulance tijdens de bombardementen, droeg een uniform en wist zich volledig geaccepteerd. In 1947 zien we haar verloren door de stad lopen, met kort haar en in mannenkleren, op zoek naar iets dat haar leven zin zou kunnen geven. “Don't you know the war's over?' roepen mensen haar na. De aantrekkelijke Viv werkt voor een huwelijksbemiddelingsbureau maar is zelf verstrikt in een onverkwikkelijke affaire met een getrouwde man. Haar collega Helen woont samen met Julia, een succesvolle schrijfster van misdaadromans, en moet hun relatie geheim houden voor de buitenwereld. Vivs zachtaardige broer Duncan leeft in huis bij “Uncle Horace'. Overdags doet hij geestdodend werk in een kaarsenfabriek, ver onder zijn niveau, maar hij is blij dat hij met zijn gevangenisverleden nog een baantje heeft. Waarvoor hij precies in de gevangenis zat wordt pas aan het eind van de roman duidelijk.

The Night Watch wordt terug in de tijd verteld, in hoofdstukken die spelen in 1947, 1944 en 1941 - een groot verschil met Waters eerdere, door de plot gedreven romans. Toch zorgt deze structuur ook voor de nodige spanning: langzaam wordt onthuld hoe de hoofdpersonen in hun huidige situatie zijn terecht gekomen en op welke manieren hun paden zich gekruist hebben. Op deze manier wordt ook het contrast des te sterker aangezet tussen de uitgebluste periode van na de oorlog, en de intensive- ring en verhevigde staat van bewustzijn die de bombardementen met zich meebrachten. Tijdens de oorlog kregen vrouwen veel meer vrijheid om hun leven in te richten zoals ze zelf graag wilden; na de oorlog was er niets meer voor ze te doen. Een piloot of officier, denkt Duncan wanneer hij Kay ziet: “one of those women who'd charged about so happily during the war, and then got left over'. De oorlog was een tijd van drama, heroïsme, zinvol werk. Na de oorlog worden vrouwen geacht hun broeken uit te trekken, hun haar weer te laten groeien, en de banen aan de mannen over te laten.

Helen ziet het dagelijks in haar bloeiende praktijk: “Servicemen, returning from overseas, found wives and girlfriends transformed out of all recognition. They came into the bureau still looking stunned.' En vrouwen klagen tegen haar over hun ex-mannen: “Hij wilde dat ik de hele tijd binnenbleef'. Ze verbaast zich erover hoe snel mensen de oorlog lijken te vergeten. “Is het niet vreemd', merkt ze op tegen Viv, “ hoe iedereen over de oorlog praat alsof het iets van járen geleden is? Het is alsof we allemaal stiekem hebben afgesproken, “Now don't, for God's sake, let's mention that!''

Don't mention the war: bij nader inzien is de Tweede Wereldoorlog zo'n vreemde keuze nog niet voor Waters. Datgene waar niet over gesproken mag worden, wat wordt doodgezwegen, is bij uitstek haar thema. De periode van na de oorlog blijkt in veel opzichten net zo repressief als het Victoriaanse tijdperk. Letterlijk, zo bleek ook uit een documentaire die afgelopen herfst werd uitgezonden door BBC4. Daarin werd onthuld dat “Little Kinsey', de eerste landelijke studie naar de seksuele gewoonten van de Britten, uit 1949, te schokkend werd bevonden om openbaar te maken. Het onderzoek, gehouden in opdracht van de regering, was geïnspireerd door het Amerikaanse Kinsey Report (1948) en ondervroeg mannen én vrouwen. Een op de vier mannen bekende naar de hoeren te gaan, een op de vijf vrouwen had een buitenechtelijke relatie, en een op de vijf van beide geslachten had een homoseksuele ervaring gehad - een hoger percentage dan tegenwoordig.

Het komt aardig overeen met het beeld dat Waters schetst in The Night Watch, en dat gebaseerd is op gedegen documentatie en onderzoek. Deze aanpak verschilt aanzienlijk van haar vorige romans, vertelde Waters al in een interview (Boeken 29.03.02). Niet alleen de overweldigende hoeveelheid van materiaal - brieven, ooggetuigenverslagen, dagboeken, film, overheidsarchieven - maakte het anders, maar ook het feit dat die ooggetuigen nu nog in leven zijn. ,,Wanneer ik schrijf over de Victoriaanse periode kan niemand zeggen, zo was het niet, ik was erbij'', zei ze. ,,Nu komen er al mensen naar mij toe die vertellen dat oma tijdens de oorlog een lesbische affaire had. Degenen over wie ik schrijf kunnen nu nog rondlopen''. Dat maakt het moeilijker om je een onderwerp toe te eigenen. “Ik had het gevoel dat de jaren veertig op een of andere manier van de mensen waren die het zich konden herinneren ze meegemaakt te hebben, en dat ik de verantwoordelijkheid had tegenover hen om ervoor te zorgen dat dingen klopten', schreef ze ook onlangs in The Guardian.

Dit gevoel van verplichting speelt de roman danig parten. Vaak is Waters zo bezig met de juiste details en accurate beschrijvingen dat de vaart uit het verhaal raakt: “The shade of the light was a lovely rose-coloured porcelain shell - meant for a gas-lamp, probably, but now fitted up with a bulb in a bakelite socket and a fraying brown flex'. De research staat hier de verbeelding in de weg. En merkwaardig genoeg doet dit afbreuk aan het realisme en de levendigheid van de roman, die in veel andere opzichten de toon van het tijdperk juist bijzonder goed weet te treffen. Zoals Waters in haar Victoriaanse romans gebruik maakte van 19de-eeuws idioom en een gotische stijl, zo klinkt hier de echo van de jaren veertig in zinsneden als “That's bloody wizard!', “I say!', of “It wouldn't be cricket, old chap.' Wanneer ze zich niet uitleeft in details, hanteert Waters de spaarzame stijl van schrijvers uit die periode, met een terughoudendheid en soberheid die de maatschappelijke ontwikkelingen weerspiegelen.

The Night Watch leest, net als Waters' eerdere werk, lekker weg, maar laat toch een vaag onbevredigend gevoel achter. Het boek is doortrokken van een zekere vaalheid en treurigheid, net als de grauwe straten en de oudroze en bruine interieurs van het Londen uit die periode. Niets van na de oorlog doet er nog toe, vergeleken met wat er aan vooraf ging. Door de structuur van het boek krijgen we begrip voor de huidige situatie van de hoofdpersonen, maar het voelt onaf, om niet te zeggen “not cricket', ze in zulke troosteloosheid en stagnatie achter te laten.

Sarah Waters: The Night Watch. Virago, 440 blz. euro 18,95. De vertaling verschijnt in maart bij Nijgh & Van Ditmar.