Naam: Samuel Clemens, beroep: Mark Twain

De Amerikaanse schrijver Mark Twain was een geldwolf en een driftkikker, maar ook een taalwonder en een meesterverteller. Een biografie laat zien dat Twains autobiografische verhalen weinig met de werkelijkheid te maken hebben.

Mark Twain-op een sigarendoos (1880) Foto uit: Rebecca West: “1900' Londen 1982 Illustratie Lombard Antiquarian Maps and Prints

Op 14 juli 1879 arriveerde Mark Twain, pseudoniem van Samuel Clemens (1835- 1910) met zijn gezin per trein vanuit Antwerpen in Rotterdam. “Curious head-dresses', noteerde hij die dag in zijn Notebook en tijdens een wandeling door de stad zag hij maar vier mensen met een bril op. De volgende dag gingen ze naar Amsterdam waar hij onder meer een plein bezocht “with cheap trash (Jews) - could have bought the whole thing for $ 300 and lost money'. Hij zag arme meisjes en jongens (“orphans') op straat, beschreef hun kleding. Bekeek Rembrandts Nachtwacht en een paar portretten “of some burghers. or burglars, have forgotten which'. Hij zag een dag later tot zijn verbazing ergens in een stal op een bord namen van koeien staan, zag in Den Haag De Stier van Potter (“flies visible under the hairs'). Maakte een ritje door Bloemendaal (“Blumen-something') en verbleef in de buurt van Haarlem (“Harlaam') waar hij een 15-jarig meisje ontmoette, juffrouw Korthals, dat Duits, Engels, Frans en zelfs Italiaans sprak en zichzelf als Duits beschouwde (“not Dutch'). Ze maakte diepe indruk: een paar dagen later, hij was al in Londen, schreef hij in zijn Notebook dat hij niet moest vergeten haar een van zijn boeken te sturen. Twains verblijf in Nederland is nergens in de steeds maar aanzwellende reeks biografieën opgetekend. Ook niet in de recentste van Ron Powers. Toch kun je in zijn summiere aantekeningen over die drie dagen een paar kenmerkende opvattingen terug lezen van deze Amerikaanse literaire ster die nog steeds niet is uitgestraald.

Het tijdstip is opvallend. In 1876 verscheen Tom Saywer en al in 1877 publiceerde uitgever Rinkers in Arnhem een Nederlandse vertaling door Myra, pseudoniem van mej. C.M. de Meyier. In 1879 kwam de tweede druk uit. Voor vertaalster en uitgever is het maar goed dat Twain hier waarschijnlijk niks van af wist want hij wond zich geweldig op over geld dat hij misliep aan roofdrukken en illegale vertalingen die overal van zijn werk verschenen. Soms schreef hij woedende brieven aan uitgevers ervan, dat leverde meestal niks op, naar geld van vertalingen kon hij helemaal fluiten. Hij zette zich zijn hele leven krachtig in voor de bescherming van copyrights van schrijvers en was uitermate tevreden toen vlak voor zijn dood het Amerikaanse Congres een wet aannam die schrijvers achttien jaar alle rechten op hun werk garandeerden.

Geld was een van Twains obsessies. Altijd was hij op zoek naar mogelijkheden rijk te worden, liefst zo snel mogelijk, vandaar dus ook zijn grap over die rommelmarkt in Amsterdam. Als het niet met boeken lukte, dan maar met dubieuze machines of andere geldverslindende projecten. Het is komisch en tragisch tegelijk als je leest over de tot niets leidende ideeën waar Twain zijn geld in stopte. Was er dan niemand die hem af en toe met z'n kop onder een koude kraan hield? Zijn ideeën voor bijvoorbeeld een elastieken broekophouder, een nieuwe procedure voor de vervaardiging van grafische illustraties, een glazen “handgranaat' met branddovende vloeistof, een dekenklem, een eeuwigdurende kalender, een inbrekersalarm, een rem voor locomotiefwielen gingen stuk voor stuk de mist in en kostten handenvol geld. Een plan voor een automatische zetmachine bracht hem zelfs aan de financiële afgrond.

Twain had een tic voor machines, hij was de eerste romanschrijver die met een typemachine werkte, al in 1875, hij schepte er later flink over op. Schrijven moest altijd snel bij hem, tijd was nu eenmaal geld. Zijn grote romans schreef hij meestal binnen een maand of zes. Soms liet hij de manuscripten een tijd liggen omdat andere plannen toch ineens voor gingen. The Adventures of Huckleberry Finn, in mijn ogen zijn grootste werk, begon hij in 1877, daarna liet hij het drie jaar liggen, schreef de rest in een paar maanden, en vervolgens liet hij het weer een tijd liggen. Het verscheen pas in 1884.

Powers' recente biografie zet de feiten uit Twains leven goed op een rij. Veel is natuurlijk al bekend, alleen al de laatste tien jaar verschenen drie biografieën, plus nog een stel detailstudies, om over de hoeveelheid artikelen in Amerikaanse vakbladen maar te zwijgen. Twain is in Amerika nog steeds hot. Powers laat zien dat Twains eigen autobiografische verhalen meestal weinig met de werkelijkheid te maken hebben. Hij had er een handje van zijn ervaringen als goudzoeker, als loods op de Mississippi en als beginnend journalist sterk te romantiseren. Powers verbloemt zijn zwakheden niet: Twain was driftig, zijn eigen dochters waren af en toe bang van hem en vonden hem maar een vreemde kwibus. Hij plaatst hem terecht in de lijn van Emerson, Thoreau en Whitman die in de loop van de 19de eeuw een nieuw Amerikaans zelfbewustzijn van de grond probeerden te krijgen dat los moest komen van Europese hang-ups en dat zich baseerde op geloof in eigen kunnen. Twain hoorde tot een meer ordinaire afdeling van deze emancipatorische beweging maar zijn invloed was volgens Powers groot. Hij kreeg steeds meer voet aan de grond in het destijds bloeiende maar ook uitputtende lezingencircuit, waar je als schrijver veel geld mee kon verdienen. Zijn boek The Innocents Abroad (1869), het komische verslag van een reis die hij in 1867 naar Palestina en Europa ondernam, maakte hem beroemd. Hij hield er door heel Amerika lezingen over, waarin hij ongegeneerd en vooral oneerbiedig van leer trok tegen de Europese cultuur. Antieke goden beschouwde hij als opscheppers die aan een oom en tante in Missouri deden denken. De Mona Lisa vond hij maar niks en het werk van Michelangelo gebruikte hij als mikpunt voor doeltreffende grappen (“everywhere Michelangelo in Rome'). Letterlijk duizenden mensen kwamen naar hem kijken en luisteren, hij trad soms maandenlang iedere dag in een andere plaats op.

Powers besteedt in zijn biografie niet veel aandacht aan de laatste twintig jaar van Twains leven, 90 pagina's op een geheel van ruim 600, dat is te weinig. Toegegeven, Twain had zijn beste boeken al geschreven. De lichte toon daarvan verdween langzamerhand en hij probeerde zich in latere tijd, overigens tevergeefs, te ontworstelen aan zijn imago van droogkomiek. Steeds meer was hij alleen nog een ster en gedroeg hij zich daar ook naar, in hotels schreef hij zich vaak in onder zijn eigen naam en gaf dan als beroep “Mark Twain' op.

Maar Powers gaat wel erg summier in op Twains toegenomen politieke belangstelling. Hij was fel tegenstander van de Amerikaanse imperialistische politiek uit die tijd, onder meer van de bezetting van de Filippijnen. Zijn argumenten kom je in Amerika tegenwoordig weer tegen in het debat over Irak. In het venijnige The War Prayer wees hij christenen erop dat hun gebeden om de eigen jongens te beschermen tegelijkertijd een weinig christelijke oproep inhielden de soldaten en burgers van de vijand te vernietigen. Hij schreef felle stukken tegen de Christian Science, nam het op voor Dreyfuss en voor joden in het algemeen, maar permitteerde zich toch weer allerlei algemeenheden over “de' joden, zie ook zijn opmerking tussen haakjes bij de rommelmarkt in Amsterdam. Zo schreef hij serieus dat “zij' nooit met hun handen werkten, altijd alleen met hun hersenen, wat hem in New York op woedende ingezonden brieven kwam te staan.

Powers gaat ook weinig in op het debat dat tot op heden voortwoekert over Twains vermeende racisme in vooral Huckleberry Finn. Helemaal maakt hij zich er van af wanneer hij aan de laatste twee jaar van Twains leven toekomt. Daar schrijft hij zeven bladzijden over, veel te weinig. Twain belandde in een uiterst pijnlijke situatie toen hij zijn secretaresse Isabel Lyon ontsloeg en zij in de pers verhaal haalde. Er gingen hardnekkige geruchten dat hij een verhouding met haar had gehad, Powers gaat er nauwelijks op in. Wie meer wil weten moet het recente, gedetailleerde boek Dangerous Intimacy van Karen Lystra lezen die als een ware speurneus het onderste uit de kast haalt. Ze neemt het op voor Twain en beroept zich op een niet gepubliceerd autobiografisch geschrift waarin hij erkent dat hij zich veel te veel door Miss Lyon heeft laten inpalmen en zelfs zijn eigen dochters van zich vervreemdde. Mooi detail: Twain las een artikel van “onze' Frederik van Eeden over hypnose en wist ineens zeker dat Lyon en haar trawanten hem jarenlang onder hypnose hadden gehouden.

Een omissie is ook de geringe aandacht die Powers besteedt aan de obsessief te noemen belangstelling van Twain in de laatste fase van zijn leven voor meisjes tussen tien en zestien jaar. Onbedorven vond hij ze, spontaan en grappig, vandaar ongetwijfeld ook zijn aantekening over de Nederlandse of Duitse juffrouw Korthals in zijn Notebook . De correspondentie tussen de oude schrijver en de meisjes is overigens uitgegeven en is de moeite waard. Twain noemde zijn vriendinnetjes “Angelfish' en hij bracht ze bij elkaar in een soort club die hij het “Aquarium' doopte. Zijn dochter Clara was bezorgd of het niet een beetje onfatsoenlijk was, zo'n oude man met die meisjes, maar er viel nooit een onvertogen woord of daad, ook al omdat Twain de ouders gewoon mee uitnodigde langs te komen.

Waarom zou je het nu nog over Mark Twain moeten hebben? Niet alleen omdat hij zo verdraaid geestig uit de hoek kon komen, zijn oneliners worden nog vaak te pas en te onpas geciteerd. Ook niet omdat zijn leven model kan staan voor de Amerikaanse illusie dat je het op eigen houtje heel ver kunt schoppen. Twain was een talenman en vooral daarom moet het nog steeds over hem gaan. Hij schreef zijn beste werk in taal die mensen werkelijk spraken, ook voor Amerikanen was dat nieuw. Schrijven was bij hem in zijn beste momenten een reconstructie van spreektaal. Niet om er vervolgens flauwe grappen over te maken maar om zo precies mogelijk te laten horen hoe het ooit geklonken had. Zijn bewondering voor een meisje in Haarlem dat meer dan vier talen sprak, was niet toevallig. Hij herkende in haar iets van de talenman die hij zelf was. Hij leerde Duits (al schreef hij ook komische sketches over de moeilijkheid ervan), Frans en een beetje Italiaans. Bij hem komen zonder satirische bijbedoeling de stemmen aan het woord van slaven, bootslui en “gewone mensen', stemmen zoals ze ooit geklonken hebben. Het hondsbrutale jongensjargon van Huck Finn dat gebaseerd was op de taal die Twain als jongen zelf ooit hoorde en wie weet gesproken had, biedt nog steeds onvergetelijke literatuur. Via de stem en de taal van de slaaf Jim, die Twain zo precies mogelijk reconstrueerde, kunnen we nu nog een beeld voor ogen krijgen van de maatschappelijke verhoudingen in de Zuidelijke Staten van Amerika vóór de Burgeroorlog.

Samuel Clemens schreef als de beste, meeslepend en gedreven, hij liet zich niet remmen door dwaze invallen of ongerijmde vergelijkingen. Met een vlijmscherp oog voor sociale verhoudingen. Zelf werd hij oneindig sentimenteel wanneer hij herinneringen aan zijn leven als jongen aan de Mississippi ophaalde. De rivier die traag door Amerika stroomt en waaraan hij zijn mooiste passages wijdde.

Ron Powers: Mark Twain, a Life. Free Press, New York, 627 blz. euro 32,-

“Dangerous Intimacy - The Untold Story of Mark Twain's Final Years' van Karen Lystra is verschenen bij de University of California Press (274 blz, euro 25,- ); “Mark Twain's Aquarium' van John Cooley bij de University of Georgia Press (via bibliotheken op te vragen).