Marjoke

“Goedemorgen allemaal,“ zei meester Mo vreselijk vrolijk. “Vandaag houdt Marjoke haar spreekbeurt. Kom maar voor het bord, Marjoke.“

Aarzelend stond Marjoke op. Ze klemde een stapel boeken tegen haar buik. Er staken gele papiertjes tussen de bladzijden uit; daar zaten plaatjes die ze straks moest laten zien.

Nog lang niet iedereen zat op zijn plaats. Vooral rond de tafel van Pien was het druk. Pien had foto's bij zich, van haar babycaviaatjes die een week geleden geboren waren. “Die zwarte krijg ik', hoorde Marjoke Lotta roepen. Zelf had ze Piens caviaatjes nog niet gezien. Niet in het echt, en ook niet op de foto. De boeken dreigden uit haar handen te glippen.

Even later was het echt zover. Marjoke had haar boeken op de tafel van de meester gelegd en stond voor het bord. Ze keek naar de klas die naar haar keek. Het was alsof ze een levende kwal had doorgeslikt. Haar spreekbeurt mocht niet over paarden gaan, of over pony's, en zelfs niet over zebra's, had de meester gezegd. Géén dieren met hoeven dit keer. Dus had ze maar voor walvissen gekozen. De meester ging achter in de klas zitten. “Vooruit maar“, zei hij. “We wachten.“

Marjoke schraapte haar keel. “De walvis is het grootste dier dat in zee, ik bedoel“, fluisterde ze, “er zijn veel soorten walvissen“

De meester stak zijn hand op. “Wacht maar even. Achmed?“

“Sorry mees“, zei Achmed, “ik had niet door dat het al begonnen was.“

Als je het even niet meer weet, moet je een plaatje laten zien, had Marjoke's vader gezegd. Dus pakte ze een van de boeken van tafel, maar het glipte uit haar handen. Het gele papiertje woei eruit. Het kostte een hoop tijd om de foto van de butskop terug te vinden.

Hakkelend vertelde Marjoke over de verdwaalde reuzendolfijn die twee weken geleden ineens door de hoofdstad van Engeland zwom. Ergens, maar ze wist niet waar, moest ze ook het stukje nog hebben dat ze uit de krant van haar vader had geknipt. Naast de foto van het dier stond iets over een man die urenlang had rondgereden in een trein, terwijl niemand door had dat hij dood was. De dolfijn, een butskop, was trouwens ook doodgegaan.

Ze kreeg een zes voor de moeite, en toen mochten ze naar buiten. De anderen holden joelend de trap af en gingen op het plein “Vies of Lekker' doen. Lotta was als eerste aan de beurt. “Lollies“, riep ze. Iedereen sjeesde naar het “Lekker'-vak. “Drop!“; “Vuilnis! Ha, Romeo, jij bent 'm.“

Marjoke liep over het plein heen en weer, heen en weer. Naast haar sjokte Amrita. Amrita was haar vriendin niet, vond Marjoke, Amrita leek op een nijlpaard, dat zei iedereen. Maar toch waren ze op de een of andere manier vaak samen. “Leuk, je spreekbeurt“, mompelde Amrita ineens. Marjoke bleef staan. Schoppen mocht niet. Was Amrita maar een echt nijlpaard, dan kon ze tenminste nog kroppen sla en broden in haar muil werpen of op haar rijden.

“Shoarma“, hoorde ze Romeo in de verte roepen. “Kaas?“

JUDITH EISELIN

Wordt vervolgd. Volgende week in Groep Zes: Amrita.