Leen kunst en word beter

Staatssecretaris na staatssecretaris hamert er de laatste jaren op dat de kunst laagdrempelig gepresenteerd moet worden. Medy van der Laan zei het onlangs nog in deze krant: schilderijen moeten eens ophouden elitair aan de museumwanden te hangen, met die saaie bordjes ernaast. Dat is alleen maar leuk voor de kunstminnende minderheid, terwijl kunst er voor iedereen moet zijn, ook voor iedereen die zich niet voor kunst interesseert.

Krampachtig verlagen de musea daarom hun drempels tot het geulen zijn. Alle zalen worden opgeleukt. Het grote publiek - jong en oud, allochtoon en autochtoon - vraagt zich intussen noch van de drempels, noch van de geulen af hoe het daar overheen kan. Het grote publiek stapt andere gebouwen binnen. Huizen, scholen, buurthuizen en kantoren. Of een van de gebouwen waarin je de kunstminnende elite weer nooit tegenkomt. Zo vermaakt iedereen zich op de plek van zijn voorkeur en dat is natuurlijk in strijd met het cultuurbeleid.

De schilder Pieter Kooistra (1923- 1998) vond eind jaren veertig al dat de kunst toegankelijk moest zijn voor het gewone volk, niet omdat beleidsnota's dat voorschreven maar omdat hij geloofde dat het volk er geestelijk beter van werd. Van de dagelijkse omgang met kunst zou de burger zelfstandiger gaan kijken en denken, zodat hij “schreeuwlelijken' als Hitler niet meer kritiekloos zou volgen. Kooistra was een idealist met realiteitszin: hij begreep dat de mensen niet naar de kunst toe gelokt konden worden, maar dat de kunst naar hun huizen, kantoren en kantines moest worden gebracht. In 1955 richtte hij in Amsterdam de Stichting Beeldende Kunst op, de eerste Nederlandse kunstuitleen. Particulieren en bedrijven konden er schilderijen, tekeningen, grafiek en beelden huren (en later ook in etappes kopen); aangesloten kunstenaars hielden er een klein maar welkom inkomen aan over. Het was een staaltje “cultureel ondernemerschap' dat oud-staatssecretaris Rick van der Ploeg - die nog geboren moest worden - een paar jaar geleden onmiddellijk zou hebben gesubsidieerd.

Kooistra stuitte echter in de decennia die volgden regelmatig op politieke en maatschappelijke weerstand, zoals te lezen valt in de studie Hardnekkig en vastberaden. Onder die titel stelde kunsthistoricus Paul Kempers de geschiedenis van de SBK Amsterdam te boek. Vijftig jaar nadat Pieter Kooistra met schilderijen onder zijn arm door de stad fietste om 35 leners zedelijk te verheffen, is de SBK “een landelijk netwerk met tien vestigingen waarbinnen jaarlijks voor bijna een miljoen euro wordt aangekocht en meer dan honderd tentoonstellingen worden gehouden'.

Kempers vertelt een ingewikkeld verhaal, dat lang niet altijd een stijgende lijn volgt - begin jaren negentig was de SBK zelfs op sterven na dood - maar hij weet door de hele reportage heen het evenwicht tussen grondigheid en leesbaarheid te bewaren. Heldere samenvattingen van eindeloos kunstpolitiek gekrakeel wisselt hij af met veelzeggende citaten uit documenten en interviews, grappige anekdotes en veel foto's uit het SBK-archief. Hij laat ook zien hoe de geschiedenis van de SBK het veranderende Nederlandse kunstklimaat weerspiegelt, dat hij steeds terloops maar scherp typeert. Behalve een geschiedenis van de kunstuitleen is Kempers' boek dus ook een opfriscursus Nederlandse kunstgeschiedenis sinds 1950.