Het recht op ongeluk

De verantwoordelijkheid voor het eigen geluk is steeds meer bij de mens zelf komen te liggen, zo blijkt uit een overtuigende cultuurgeschiedenis. Maar ieder antwoord op de vraag wat geluk is, schept nieuw onbehagen.

Als je het jezelf niet afvraagt, doen anderen het wel voor je: ben je gelukkig? Zo niet, waarom dan niet? In de hedendaagse massacultuur, die geregeerd wordt door de reclame, is geluk een natuurlijke staat die voor iedereen bereikbaar is. Volgens de politici is het streven naar geluk niets minder dan een grondrecht. Onderzoeken proberen te achterhalen welke natie op dit moment het gelukkigst is, welke plaats op aarde de beste garantie voor geluk biedt. De opvallend gestage stroom zorgelijke boeken over menselijk geluk in de boekhandels zijn het product van knagende twijfel: net nu het blijvende geluk, in de westerse wereld althans, voor het grijpen lag, lijkt het ons opnieuw ontglipt. Aan alle voorwaarden is voldaan - we zijn rijk, we zijn bevrijd, we mogen het allemaal zelf kiezen en beslissen, en toch veranderen de cijfers die onze staat van geluk en ongeluk meten, niet noemenswaardig. Geluk is niet gegarandeerd. En de vragen blijven ook maar steeds hetzelfde. Zoals de 18de-eeuwse filosoof David Hume het stelt in een brief aan de door hem bewonderde Schotse collega Francis Hutcheson: “Want wat is het doel van de mens? Is hij voor het geluk geschapen? Voor dit leven of voor het hiernamaals? Voor zichzelf of voor zijn Schepper?'

De hemelsbreed verschillende antwoorden op die benarde vragen vormen de rode draad in Geluk, een geschiedenis van de ideeën over geluk vanaf de Griekse tragedies tot voorbij Sigmund Freud, geschreven door de Amerikaanse hoogleraar Europese geschiedenis aan de Florida State University Darrin McMahon. Je kunt zijn studie zien als een tegenhanger van de recente, intellectuele seller Evil in Modern Thought (vertaald als Het kwaad denken) van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman. Net als het probleem van het kwaad is het menselijk streven naar geluk een onderwerp dat de hedendaagse filosofen angstvallig links laten liggen, omdat ze het te vaag en te banaal vinden - terwijl het overgrote deel van de mensheid er 's nachts nog altijd wakker van ligt. McMahon neemt zijn onderwerp serieus: zijn boek volgt eenzelfde parcours als dat van Neiman, hij volgt chronologisch zijn weg door de westerse geschiedenis en gaat aan de hand van verschillende denkers na hoe onze opvattingen over geluk ontstaan en veranderd zijn. Wat hij in de eerste plaats wil laten zien, is dat onze hedendaagse preoccupaties met geluk zo oud zijn als de mens zelf, maar vooral dat wat wij nu vanzelfsprekend vinden dat vroeger helemaal niet was.

De vragen zijn in de loop der eeuwen namelijk nauwelijks veranderd, maar de antwoorden voortdurend. De oude Grieken ten tijde van de tragedies waren geneigd geluk gelijk te stellen aan een gebrek aan rampspoed: de mens bevond zich in een ongrijpbaar en vaak dreigend universum; hij had geluk als hij er een beetje goed vanaf kwam, als hij niet getroffen werd door het noodlot. Vandaar de wijsheid van de filosoof Solon, die de steenrijke koning Croesus voorhield dat een mens pas gelukkig genoemd mocht worden wanneer hij zijn leven helemaal had geleefd.

Die fatalistische houding werd verworpen door Socrates en Plato, die van het geluk een actief streven maakten, een streven van de mens naar het schone en het goede - wat iets heel anders is dan aards hedonisme. Vanaf dat moment begon de worsteling met de grote vragen. Hoe verhield het geluk dat iemand hier op aarde kon beleven, tijdens zijn korte leven, zich met de bovennatuurlijke staat van geluk waarnaar hij geacht werd te streven? Was een staat van geluk in tijden van het christelijke geloof een kwestie van genade, iets dat je werd toebedeeld van bovenaf, of kon je er zelf ook iets aan doen - bijvoorbeeld door ascese of contemplatie?

Hiernamaals

McMahon beschrijft op een overtuigende manier hoe door de westerse geschiedenis heen de verantwoordelijkheid voor het geluk bij de mens zelf kwam te liggen. Augustinus zag in aardse genietingen vooral hindernissen - het ware geluk bevond zich in het hiernamaals - maar Thomas van Aquino stelde dat je ondanks de erfzonde het aardse streven naar geluk kon zien als een voorbereiding op het hogere geluk van de hemel. Niet alleen het lijden was zaligmakend. Daarna werd het geluk langzaam maar zeker uit de hemel gehaald en op aarde nagejaagd. Het hiernamaals werd in toenemende mate gezien als een voortzetting van het mogelijke aardse geluk met andere middelen - tot het helemaal werd afgeschaft door de filosofen van de Verlichting. Verlossing moest hier beneden plaatsvinden.

Maar onmiddellijk deed zich een nieuw probleem voor. Wanneer een mens de mogelijkheid van zijn eigen geluk in handen had, wat hield geluk dan in? McMahon laat op een overtuigende manier zien dat in de definities van geluk ook de meest verlichte denkers nog klassieke en christelijke noties van deugdzaamheid en morele plicht een rol spelen. Vandaar dat de verlichtingsfilosofen zo'n bloedhekel hadden aan hedonistische materialisten als De la Mettrie, auteur van onder andere Het mannetje met de lange lul, die weigerde in de mens iets meer te zien dat een zichzelf aandrijvende machine, zonder bovenaards doel of noodzaak tot transcendentie. Een man als De la Mettrie had, net als De Sade op zijn manier, de aannames van de Verlichting doorgedacht tot hun uiterste, illusieloze consequenties - vandaar dat filosofen als Voltaire en Diderot nog niet dood met hem gezien wensten te worden. De natuur en het lichaam was het enige dat telde, atheïstische waarheden die zelfs voor de 18de-eeuwse tolerante Hollanders (De Mettrie was hier in ballingschap) onverteerbaar waren. McMahon: “Inderdaad had La Mettrie met zijn filosofische scalpel een verontrustende zwakte in het lichaam van het verlichtingsdenken blootgelegd - ja, zelfs opzichtig uitgestald. Want hoe kon je de ziekte van onstuitbaar hedonisme werkelijk bestrijden met hulp van de heersende logica van de genot-pijnberekening van de Verlichting?' Utilitaristen als Jeremy Bentham zeiden daarop dat het ging om het maximale genot voor het grootste aantal. Maar, zegt McMahon, “het probleem bleef dooretteren: als de mensen uitsluitend door sensaties van genot en pijn werden bewogen, zoals de ultilitaristen beweerden, bleef het volstrekt onduidelijk waarom iemand het ene zou opofferen en het andere zou verdragen ter wille van zijn medemensen.'

Maar zelfs als het genot tot een zuiver particuliere zaak werd gemaakt, zonder morele verplichtingen jegens de hemel of de medemens, bleef het een ongrijpbaar iets, dat maar heel zelden samenviel met een toestand van geluk. “Geluk is geen genot,' schreef Jean-Jacques Rousseau. “Zelfs in ons meest intense genot is er nauwelijks één moment waarvan het hart oprecht zou kunnen zeggen: ,,Duurde dit moment maar voor eeuwig voort!' Hoe kunnen we de naam geluk geven aan een vluchtige staat die ons hart nog steeds leeg en verlangend laat, vol spijt om iets dat voorbij is of vol verlangen naar iets dat nog moet komen?' Rousseau wilde die staat van onvrede oplossen door terug te keren naar een verloren staat van idyllische zuiverheid, en toen hij had geaccepteerd dat dat onmogelijk was, geloofde hij dat de mens om van zijn zeurende ongeluk bevrijd te worden volledig moest opgaan in het collectief - we weten wat daarvan is gekomen.

Ieder antwoord op de vraag wat geluk is, schept weer nieuw onbehagen. Maar de spanningen ontstaan altijd rond dezelfde kwesties: ben je gelukkig wanneer je jezelf goed voelt, of juist wanneer je anderen zich goed laat voelen? Gaat het om genot of om goed doen? Doe je het voor deze wereld, of voor een wereld die ergens achter de horizon van de tastbare werkelijkheid ligt - de hemel, de hartstocht of de extase? McMahon slaagt erin zijn ideeëngeschiedenis grotendeels tot een boeiend debat te maken, waarin de verschillende stemmen elkaar tegenspreken of aanvullen. Hij weet meestal aansprekende voorbeelden te vinden, en illustreert zijn betoog met veelzeggende afbeeldingen (die in de vertaling vaak nogal modderig zijn afgedrukt; de vertaling zelf is uitstekend - jammer van die paar redactionele slordigheden en die ene achtergebleven aanwijzing voor de zetter). Sommige passages zijn minder geïnspireerd; het te lange hoofdstuk over de precieze betekenis van “the pursuit of happiness', de beroemde, door Thomas Jefferson bedachte frase in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring - heeft hij het over bezit en rijkdom, of over inzet voor de publieke zaak? - heeft te veel weg van een afzonderlijke lezing voor een academisch gehoor.

Entertainment

Er verandert veel, laat McMahon zien, en er verandert niets: Aristoteles waarschuwt al tegen de terreur van het entertainment, tegen een samenleving die alleen nog maar bezig is zichzelf te vermaken en geen enkel “hoger' doel of verheven ideaal nastreeft. Tegelijk is daar het andere uiterste, het radicale geloof in de totale transformatie van mens en maatschappij, zoals door Franse revolutionairen, het communisme en het fascisme werd gepredikt.

Wat die twee extremen gemeen hebben, is dat ze beloven aan iedere vorm van ongeluk een einde te maken. De dystopie van Huxley's visionaire toekomstroman Brave New World (1932) is een waarschuwing tegen die maakbaarheidsgedachte. De hoofdpersoon komt in opstand tegen de tirannie van het geluk en houdt een pleidooi voor “het recht ongelukkig te zijn.' Hij zegt: “Ik wil geen comfort. Ik wil God, ik wil poëzie, ik wil echt gevaar, ik wil vrijheid, ik wil goedheid. Ik wil zonde.'

Dat instinctieve verzet tegen de totalitaire wezenloosheid van het moderne gelukstreven ligt overduidelijk ten grondslag aan McMahons geslaagde onderneming. De onverzadigbaarheid van het menselijk verlangen is wat de mens menselijk maakt. McMahon sluit zich aan bij Freud, die het onvervulbare streven naar blijvend geluk ziet als een afweermechanisme tegen wat ons bedreigt en altijd zal bedreigen: het onherroepelijke verval van ons eigen lichaam, de buitenwereld met zijn onzichtbare gevaren en onze wankele relaties met andere mensen. Alle strategieën waarmee de mens die dreigingen het hoofd hoopt te bieden, zijn tijdelijk en meestal tot mislukken gedoemd. Onbeperkte behoeftebevrediging, de vlucht in de roes, permanente afzondering van de wereld, de romantische liefde of de onderdompeling in het collectief, niets van dat alles zal een permanente staat van geluk bewerkstelligen.

Freuds eigen weermiddel, de psychoanalyse, was ook nooit bedoeld om zijn patiënten voor de rest van hun leven gelukkig te maken. Hij wilde slechts het onnodig lijden, dat zij zichzelf aandeden, genezen, zodat zij zich sterk konden maken tegenover wat hij de “gewone ongelukkigheid' noemde - das gemeines Unglück. Dat gewone ongeluk valt niet weg te nemen, het is even natuurlijk als de mens zelf.

Darrin M. McMahon: Geluk. Een geschiedenis. Vertaald uit het Engels door Corrie van den Berg en Carola Kloos. De Bezige Bij, 527 blz. Prijs: euro 24,50