Het gelijk van de dwarsliggers

Eigentijdse idealisten willen consumerend de wereld verbeteren en geven af op de hoogdravende generatie van de jaren zestig. Maar lang niet alle maatschappijkritiek van toen is af te doen als onzin.

De dagkoers van de de jaren zestig is allang geleden door de beursvloer van de Zeitgeist gezakt. Het is vrij schieten op wie nu nog de erfenis van dit tijdvak wil verdedigen. Sinds de liberale triomfen van de jaren tachtig, en in verhevigde mate sinds de terreuraanslagen in New York en Washington, wagen ook steeds meer voormalige lefties zich aan onderzoek van hun eigen idealen en, soms, geweten. Wat is er misgegaan en wat kan links nu nog betekenen? Sommige spijtoptanten in Amerika en elders waaiden even radicaal met de nieuwe wind mee als met de oude, en hekelen hun oude idealen als een complete aberratie, een begoocheling door de totalitaire verleiding.

Niet iedereen is zo radicaal. De pragmatische filosoof Richard Rorty brak al in 1996 in Achieving Our Country een lans voor een andere, nuchtere wending, één die terugging naar de emancipatoire inzet van de aloude sociaal-democratie, maar daar de revolutionaire kalklagen van af wilde schrapen die er sinds de sixties op zijn gegroeid. Hij bepleit een linkse beweging die zich niet meer, zoals “cultureel links' sinds 1968, hooghartig afwendde van de moderne consumptiemaatschappij, of zich verschool in postmodern jargon over beeldvorming, maar die in plaats daarvan overgaat tot concrete politieke actie, vanuit een gerevitaliseerd patriottisme, om het lot van de medeburgers te verbeteren.

Dat voorbeeld is nu gevolgd, op uiteenlopende wijze, door junioren van Rorty, en door een voormalig radicale liberal uit de sixties. De Canadese dertigers Joseph Heath en Andrew Potter schreven hun oude radicale maatschappijkritiek van zich af in Nation of Rebels, een pleidooi voor een “vredespact met de massasamenleving'. En Paul Berman, auteur van diverse boeken over de jaren zestig, beschrijft in Power and the Idealists hoe oude linkse helden worstelden met Irak en de keus voor humanitaire of militaire interventie.

Heath en Potter, beiden assistent-hoogleraar filosofie aan Canadese universiteiten, verdienden in de jaren tachtig hun sporen in de tegencultuur. Een van hen, onduidelijk is wie, omschrijft zichzelf als een “voormalige punkrocker uit de provincie'. Ze deden aan culture jamming, pogingen om consumenten wakker te schudden uit de koopcultuur, maar keerden zich gaandeweg van dat trendy tijdverdrijf af, omdat de cultuurkritiek hen te radicaal werd (of misschien ook wel gewoon omdat zij wat ouder werden en de tijdgeest wat liberaler).

De rode draad is helder: de generaties rebellen die sinds de jaren zestig te hoop lopen tegen de consumptiecultuur hebben zich hopeloos vergist. Er is geen “systeem' dat mensen dwingt hun “eigenlijke' behoeftes te veronachtzamen en hen allerlei rommel opdringt. Evenmin is er een sinistere matrix, zoals in de gelijknamige speelfilm, waarin wij als gedrogeerde slaven gevangen worden gehouden door the powers that be. Rebellen die dat op de barricades in Parijs, Amsterdam of elders wel dachten, zijn volgens Heath en Potter de dupe geworden van een romantisch cliché: het idee dat de moderne samenleving een amorfe massa is van uitwisselbare individuen die worden gemanipuleerd door ongrijpbare machten.

In de jaren vijftig, kort na de oorlog, nam vooral in Amerika de angst snel toe voor dwingend conformisme en manipulatie van die massa, zoals onder de nazi's zou zijn gebeurd. Auschwitz was het koppelteken tussen moderniteit, wetenschap, techniek en de afgrond, autoritarisme het schrikbeeld. De experimenten van Stanley Milgram, die proefpersonen zogenaamd stroomstoten laat toedienen aan vreemden, lijken te bevestigen dat mensen zo autoriteitsgevoelig zijn dat ze bereid zijn anderen in opdracht ernstig pijn te doen. De angst voor zulk “hersenspoelen' keerde terug in de Koude Oorlog, maar ook in zorgen om de manipulatie en verlokkingen van de moderne reclame. “Suburbia' werd een eigentijdse anti-utopie: een gruwelijk reservaat van holle conformisten.

De maatschappijkritiek van de jaren zestig was zo bezien een radicaal vervolg op het oudere jaren vijftig-thema van de “eendimensionale mens' en de “eenzame massa', dat op zijn beurt schatplichtig was aan de Romantiek. Het fatale aan die ontwikkeling is, zeggen Heath en Potter met Rorty, dat het werken aan een betere samenleving werd verruild voor een even pretentieuze als loze afwijzing van de hele moderne cultuur: zolang “het systeem' ons nog in de greep heeft, hebben verbeteringen immers geen zin. Meegaan met die cultuur wordt dan natuurlijk gezien als uitverkoop, of verraad.

Heath en Potter zijn niet de eersten die deze diagnose stellen, en zij zijn zeker niet het meest diepgravend. Maar hun boek is wel zeer onderhoudend, mede door de vlotte en licht-provocerende stijl. Prikkelend is bijvoorbeeld de redenering dat de bohémiens van weleer niet zozeer zijn “ingekapseld' door het kapitalisme (of zich hebben “uitverkocht'), maar dat ze juist vanaf het begin al perfect bij die cultuur pasten. Ze waren van meet af aan eerder een voorhoede, die de tredmolen van de consumptiecultuur een nieuwe draai gaf, dan dissidenten die eruit stapten.

Niet het gevreesde conformisme is immers volgens Heath en Potter de motor achter de moderne consumptiecultuur, maar juist non-conformisme, de wens om zich van anderen te onderscheiden. Het kapitalisme is een revolutionaire kracht, die alles te gelde kan maken, geen conservatieve of reactionaire. De bewoner van suburbia wil niet dezelfde koelkast als de buren, maar een betere. Zo is het ook met alternatieve lifestyles en cultuurgoederen: sommige opvattingen “kunnen' op een zeker moment niet meer. Dat is een manier van denken die tot grote hoogte is gestuwd door de hippe, cultureel correcte elite, die, bijvoorbeeld, standbewust SP stemt, en geen boodschappen doet bij AH. Zulke dissidenten zijn geen zandkorrel tussen de raderen, maar juist de smeerolie van de kapitalistische machine. De rusteloze, individualistische, vrijdenkende bohémien, menen Heath en Potter, past immers beter bij de onrustige geest van het kapitalisme dan de burgerman die één keer per jaar vijf identieke overhemden koopt.

In de jongste consumententrend, die van het “feestend de wereld verbeteren', is die wederzijdse bevruchting van jeugdcultuur en kapitalisme openlijk tot wasdom gekomen. Moderne jongeren kunnen nu álles: consumeren, hip zijn en feesten, met behoud van zuiver geweten. Zo heeft de zucht naar status en onderscheid er een nieuw criterium bijgekregen: hoeveel levens red jij met je party?

Toch begint de ondertoon van frisse gelijkhebberij in Nation of Rebels op den duur te irriteren. Dat is deels doordat de auteurs dat gelijk soms hardvochtig halen, andere keren doordat ze het wel halen, maar niet hebben. Een voorbeeld van het eerste is de pedante manier waarop ze Kurt Cobain postuum de les lezen. De Nirvana-zanger, die in 1994 zelfmoord pleegde, krijgt van de liberaal omgeschoolde punkers op zijn kop als ene verstokte romanticus. Hij werd het zoveelste slachtoffer van Rousseau, van het waanidee dat je alleen maar authentiek kunt zijn als je géén succes hebt. Dat Cobain ook buiten de maalstroom van de roem een problematische relatie had tot de wereld, lijkt niet bij de auteurs op te komen, of er in elk geval niet veel toe te doen.

Dat is hardvochtig, en pedant. In hun afkeer van de cultuurkritiek van de jaren zestig, en hun wending naar een activisme met de sunny side up, draven de twee bovendien door. Niet alles wat er aan kritiek op de consumptiemaatschappij de ronde doet, is onzin. Zo wringen Heath en Potter zich in bochten om het op te nemen voor McDonald's, vaak gezien als symbool voor de uniforme maar smakeloze instant-samenleving. Ze bijten naar George Ritzers aanklacht tegen de massacultuur, The McDonaldisation of society, maar negeren de minstens zo ontluisterende (en veel empirischer) aanval van Eric Schlosser op de snelle-hap-industrie, Fast Food Nation. Dat is een doodzonde voor auteurs die juist zeggen te willen pleiten voor concrete verbeteringen.

Intussen blijft de hamvraag: is er echt geen “systeem' dat zich aan de bewuste keuzes en acties van individuen onttrekt? Voor Heath en Potter is de ontkenning van zo'n systeem wezenlijk om hun redenering op te zetten, maar ze komen van de weeromstuit vervaarlijk dicht in de buurt van Margaret Thatcher die in de jaren tachtig ontkende dat er “zoiets is als een samenleving'. En warempel, tussen de regels door duikt er toch steeds weer iets van een systeem op in hun betoog, bijvoorbeeld in hun waarneming dat “competitieve consumptie niets te maken heeft met de motieven van mensen; het wordt vaak opgelegd door de eigen aard van de goederen die men zoekt'. Opgelegd? Niets te maken met motieven? Eigen aard? Dus toch: een systeem dat zich aan onze keus onttrekt?

Ook hun afwijzing van de drop out-filosofie als een lamlendige en gratuite houding die alleen maar fuck you! wil roepen naar de maatschappij (die intussen wel de uitkeringen op peil moet houden) is sympathiek, maar wordt veel te ver opgerekt. De twee prijzen bijvoorbeeld de zwarte burgerrechtenbeweging in de VS omdat die nog resultaten boekte door praktisch politiek handwerk en niet door mensen “te unpluggen uit een totaal web van illusies waarin ze gevangen zouden zitten'. Maar Rosa Parks, de vrouw die in een stadsbus weigerde op te staan voor een blanke, unplugde zichzelf met die daad wel degelijk uit een onrechtvaardig systeem. En met zichzelf unplugde ze de natie. Met louter geduldig handwerk was er geen zwarte burgerrechtenbeweging gekomen, laat staan een Amerikaanse revolutie.

Die laatste les is goed besteed aan Paul Berman, een progressief publicist uit de jaren zestig, die sinds 11 september 2001 het vuur van het engagement opnieuw heeft aangestoken. Berman zag met lede ogen hoe neoconservatief Amerika het opinieklimaat na die moorddadige aanslagen monopoliseerde en links zich in de verdediging liet drukken. Daartoe was geen enkele reden, meent Berman, want de strijd tegen islamitisch fundamentalisme past juist bij uitstek in een progressieve agenda: politieke vrijheid, emancipatie van vrouwen en de bevordering van zelfbeschikking.

Berman was dan ook voor de Amerikaanse inval in Irak: het uit de weg ruimen van Saddam past in het linkse enthousiasme voor humanitaire interventie en de verbreiding van vrijheid. In Terror and Liberalism (besproken in Boeken, 11.07.03) formuleerde Berman deze visie als een logisch uitvloeisel van het activisme uit de jaren zestig, een heel andere conclusie dan Heath en Potter in hun ontnuchterde neoliberalisme trekken. Berman ziet voor grootscheeps politiek-ideologisch activisme, op wereldschaal, nog altijd een serieuze taak weggelegd.

Zijn nieuwe boek is een vervolg op die politieke analyse. In Power and the Idealists beschrijft Berman hoe prominente soixante-huitards in Europa positie kozen in het Irak-debat. Behalve de neoconservatieve voorstanders in Amerika en de “dogmatische' tegenstanders van ieder militair ingrijpen, vormden zij een derde groep: voormalige linkse radicalen, die kritisch waren over Bush, maar voorstander van de oorlog uit humanitair idealisme. Zij worstelden met de vraag: is het ondanks alle fouten van de Amerikanen moreel verantwoord om niet in te grijpen? En “zij', dat zijn in dit boek de anarcho-liberaal Daniel Cohn-Bendit, kopstuk van de Franse studenten in 1968 en nu lid van het Europees Parlement, Bernard Kouchner, activist en oprichter van Artsen zonder Grenzen, en in Duitsland de gevestigde Grüne -leider Joschka Fischer.

Berman begint met de “kwestie'Joschka Fischer. Hij kwam als minister van Buitenlandse Zaken onder Gerhard Schröder, in 2001 in opspraak toen er foto's opdoken uit 1973, waarop de jeugdige Fischer, getooid met brommerhelm, op straat een agent te lijf gaat. De gehelmde activist was minister-in-pak geworden. Fischer staat voor Berman op die manier symbool voor de dilemma's van een criticus van de macht die zelf aan de macht komt. Hij was tegen de oorlog - omdat de Amerikanen naar zijn mening geen overtuigend verhaal hadden - maar bleef ervan overtuigd dat met die macht iets goeds te doen moest zijn, ook in Irak.

Cohn-Bendit, Kouchner en Fischer maakten volgens Berman alle drie de stap van hun linkse “ultra-radicalisme' naar een “liberaal antitotalitarisme dat past bij een modernere tijd'. Dat is Bermans eigen antwoord op de “leegte van links': links heeft, op grond van zijn eerdere obsessie met het nazisme, een affiniteit met de antitotalitaire strijd. Het moet die niet laten kapen door neoconsdie uiteindelijk minder gedreven worden door humanitaire scrupules dan door een autoritair geloof in het superieure Westen.

Die moraal van Power and the Idealists sluit goed aan bij de oproep van het duo Heath en Potter aan hun oude linkse vrienden om afstand te doen van “systeemkritiek' en te kiezen voor concrete politiek. Maar Berman blijft veel dichter dan de Canadese tweeling bij zijn oude, utopische idealen. De vijand is nog altijd dezelfde, zij het niet meer van kapitalistische snit: het gaat om een wereldwijd onderdrukkend totalitarisme, dat zich nu aandient in de vorm van de radicale islam. En tegen zo'n vijand helpt geen feestelijk Live-8.

Heeft hij gelijk? In linkse kring wordt “de politieke islam' soms even hartstochtelijk geïdentificeerd met de vijand als ooit het kapitalisme. Dat komt ook goed uit, want dan kan men links en liberaal zijn tegelijk, toch weer een variant van het beste van beide werelden willen hebben. Maar snijdt de diagnose hout? Berman doet geringschattend over academici die met lijstjes proberen af te vinken of de radicale islam wel voldoet aan de kenmerken van totalitarisme. Wat doet het ertoe, vraagt hij zich ongeduldig af. Iedereen die Reading Lolita in Teheran leest van de Iraanse dissidente Azar Nafisi, of Republic of Fear van Kanan Makiya, over het Irak van Saddam, zal deze regimes herkennen als wat ze zijn: repressiemachines die elke vrijheid uitstampen, behalve die om te sterven voor het regime.

Zo zijn we snel klaar. Maar tussen de politieke islam van Iran, of die van Hamas, en het seculiere regime van Saddam gaapt een kloof. Inderdaad, de islam dient in het Midden-Oosten als vehikel voor politiek protest, en is besmet geraakt met virulente vormen van antisemitisme en antiwesters gedachtegoed. Het getuigt alleen van veel te weinig belangstelling voor de concrete omstandigheden om, zoals Berman doet, alles wat riekt naar islamisme, van Algerije tot Irak en Pakistan, maar te scharen onder onder de noemer “totalitarisme'.

Die nivellerende blik wreekt zich in Bermans (op Hannah Arendt geïnspireerde) veel te globale definitie van totalitarisme. Totalitarisme is “een soort onmogelijk ideaal, een mythologie die de militante aanhangers ervan nooit kunnen waarmaken. Daarom eindigt het er altijd mee dat ze mensen afslachten - uit frustratie dat mensen weigeren iets anders te zijn dan mensen'. Dat is zo ruim, dat ook zijn eigen utopisch-liberale interventionisme er onder valt te rangschikken.

Maar zelfs als we zijn analyse volgen, blijft de vraag knellen of preventief militair ingrijpen dan het middel is om dit totalitarisme te bestrijden. Berman moet toch met enige twijfel gadeslaan hoe in Irak nu eerder een islamitische dan een links-liberale staat aan het ontstaan is. En zouden de bevolkingen van het Midden-Oosten die een islamitisch stempel willen geven aan hun constitutie, zoals in Irak, allemaal in de greep zijn van totalitarisme? Of is er ook een democratische vorm van islamitische hervorming denkbaar?

Berman zoekt geen antwoord op die vragen en dat is jammer. Nu valt hij toch weer ten prooi aan een oude radicaal-linkse neiging: grote lijnen trekken, zorgen dat je aan de goede kant van de streep staat, en wegwezen op het moment dat het onoverzichtelijk wordt.

Nation of Rebels en Power and the Idealists zijn samen een prikkelende herwaardering van het kritische denken uit de jaren zestig. Aan beide kleven bezwaren, maar ze leveren ook inzicht op in de dilemma's die nog altijd het beeld van de moderne samenleving en wereldpolitiek bepalen. Als links met zijn ambivalente houding tegenover kapitalisme en liberalisme “leeg' is, luidt de les, is dat omdat we er inmiddels, ook al is het vaak zonder het te beseffen, allemaal vol van zijn.

Paul Berman: Power and the Idealists. Soft Skull Press, 311 blz.euro 28,50 (geb)

Joseph Heath en Andrew Potter: Nation of Rebels. Why CounterCulture Became Consumer Culture. HarperCollins, 368 blz. euro 19,88 (pbk)