En maar doorpeddelen

'Vergaderen is een vorm van verval.' Dit is een uitspraak van Gerrit Krol, ooit gedaan in een column die werd gebundeld in De tv-bh (1979). Een bondige bewering, mooi ook door die allitteraties, waarmee je zonder verder nadenken wel meteen wilt instemmen. Er wordt in Nederland en ook daarbuiten vast veel te veel vergaderd. Wat Krol er precies mee heeft willen zeggen, weet ik niet, want het citaat is uit zijn context gelicht en wordt nu geacht op eigen benen te kunnen staan. Het is een van de 369 aforismen, verzameld door Kenneth van Zijl in Krolwijzer en gekozen uit de vijftig boeken die Krol tot dusver schreef. Al die citaten achter elkaar vormen een onderhoudend en vermakelijk geheel, al zijn niet alle beweringen even pregnant of veelzeggend. Een andere bloemlezing was waarschijnlijk ook goed mogelijk geweest. Een echte aforist is Krol duidelijk niet, zoals Douwe Draaisma ook uitlegt in zijn voorwoord. Het zijn geen onomstotelijke waarheden die Krol verkondigt, zo meent hij, maar de speelse mijmeringen en invallen van een denker.

Waar mijmert Krol zoal over? Over spraakzame Groningers en de schoonheid van lege streekbussen. Over de vraag of hij liever arts of landloper geworden zou zijn. Over het mysterie van geboorte en hiernamaals. Over de verschillen en overeenkomsten tussen mannen en vrouwen. Over misdaad en straf. Over atoombommen en blaffende honden. En over schrijvers, boeken en critici. “De grofste behandeling die een roman kan ondergaan', schrijft Krol, “is te worden samengevat.'

Opgepast dus met Sofa aan zee, de roman die tegelijk met Krolwijzer verscheen - en die ook een herneming blijkt te zijn, van De laatste winter (1979). Een oppervlakkige blik in het boek leert al dat hier weinig samen te vatten valt. Veel witregels, geen eenheid van tijd en plaats, verschillende gezichtspunten, essayistische terzijdes, weinig samenhangend verhaal. Thema: “de Nieuwe Wereld', zoals Krol Zuid-Amerika noemt. Hoofdpersonen: John, een Schotse verkoper, en Paul, een Russische geleerde. De een woont in Caracas, de ander in Lima. Hoe brengt Krol die grote Wereld onder in een roman van krap honderd en na herziening zelfs nog maar negentig bladzijden? Door veel weg te laten. En door de lezer flink aan het werk te zetten. Die moet zelf maar zien hoe hij “dit verhaal in al zijn afleveringen' tot een geheel breit. Dat is er met deze herziening nog niet speciaal eenvoudiger op geworden. In het tweede hoofdstuk van De laatste winter schrapte Krol enkele alinea's die hem blijkbaar niet meer zinden, waardoor een paar verhaalfiguren - een oud-marinier en zijn vrouw - die in die alinea's geïntroduceerd werden, in Sofa aan zee ineens uit de lucht komen vallen.

Wat werpt Krol in dit korte, schematische bestek allemaal op over Zuid-Amerika en meer in het bijzonder over Peru en Venezuela? Het was er eind jaren zestig niet helemaal pluis, zoals hijzelf, toen hij er voor Shell werkzaam was, ook heeft kunnen ervaren. Europeanen leiden in de roman nog tamelijk geprivilegieerde levens, al krijgen ze wel steeds minder te doen, maar “de autochtonen', zoals ze bij Krol heten, wonen in krottige huizen en de vrouwen worden soms gedwongen tot prostitutie, tenzij ze door een corrupt familielid of door een Europeaan hogerop kunnen worden geholpen. Tussen neus en lippen door maakt Krol melding van gewapende soldaten en rondtrekkende generaals en van liquidaties van burgers op klaarlichte dag.

Meer nog dan om zoiets als maatschappelijke betrokkenheid lijkt het hier intussen te draaien om de verbeelding zelf: niet om echte, maar om mógelijke levens. En minder om echte, dan om mógelijke liefdesbetrekkingen tussen mannen en vrouwen. Krol heeft er duidelijk plezier in om John te koppelen aan Nelly, Paul aan Zoraima, Iris aan Raphael en Barbara aan Tomas en daarmee verwachtingen te wekken, die niet uitkomen.

Sofa aan zee heeft een ander, minder open einde dan De laatste winter. Maar veel meer dan een strohalm krijgen de lezers ook deze keer niet aangereikt. Op de laatste bladzijde wordt een ontmoeting aangekondigd tussen Paul en Nelly, tijdens een toekomstige cruise van Barbados naar Puerto Rico, maar het is al meteen duidelijk hoe die ontmoeting zal verlopen. “Hadden ze elkaar langer in de ogen gekeken', schrijft Krol pesterig, “dan was het misschien wel iets geworden tussen die twee.' Ook hier dus weer een gemiste kans.

Een merkwaardige geschiedenis, kortom, die het midden houdt tussen ernst en luim en tussen engagement en amusement. Wat mij nog het meest zal bijblijven van deze weerbarstige mini-roman, zijn de schaarse natuurbeschrijvingen - van bergen, stranden, zandwegen, watervallen en kokospalmen. Ze zijn onveranderlijk laconiek van toon, maar toch valt er ook steeds een vleugje nostalgie te bespeuren. Als Krol het heeft over de indianen die nog altijd, in het rood gekleed, het vierduizend meter hooggelegen Titicacameer bevaren, op de grens van Peru en Bolivia, dan formuleert hij het zo: “Daar peddelen ze wat heen en weer, die mensen, in de namiddag van hun incabestaan.' Bij dat gepeddel stel ik me iets vredigs en genoeglijks voor dat zich onttrekt aan het schrikbewind van uur en feit, eigenlijk net als bij een sofa aan zee.

Gerrit Krol: Krolwijzer. Gekozen door Kenneth van Zijl. Met een woord vooraf door Douwe Draaisma. Querido, 112 blz. euro 14,95

Gerrit Krol: Sofa aan zee. Querido. 92 blz. euro 14,50