Een verrader: erger dan je ergste vijand

Soms snap ik even helemaal niets meer van de Polen. Maar gelukkig biedt Jerzy Hoffman dan altijd uitkomst. Er zijn maar weinig filmmakers die de Poolse psyche of, zo u wil, volksaard zo goed weten te treffen als hij. De 73 jaar oude meester maakt nog steeds goede films, maar zijn hoogtepunt ligt onmiskenbaar rond het begin van de jaren zeventig, toen hij klassiekers maakte als Kolonel Wolodyjowski en Potop (De Zondvloed), losjes gebaseerd op de romans van Nobelprijswinnaar Henryk Sienkiewicz (1846-1916), bekend van de Romeinenroman Quo Vadis.

Potop legt in feite uit waarom het Nederlandse spreekwoord “Het is net een Poolse Landdag' bestaat; een verwijzing naar de berucht chaotische parlementaire debatten in het Polen van de zeventiende en achttiende eeuw. Dit is een land waar de aardigste mensen door een speling van het lot opeens kunnen veranderen in de grootste verraders en vice versa. Een land met weinig zekerheden. Een land waarvan je soms barstende koppijn krijgt, net als kolonel Andrzej Kmicic, de hoofdpersoon in Potop.

Onlangs bekroop mij dat Kmicic-gevoel toen ik twee van mijn Poolse vrienden, de een al jarenlang met de ander bevriend, elkaar opeens voor rotte vis zag uitmaken. Ze bleken tijdens de recente parlementsverkiezingen op verschillende politieke partijen te hebben gestemd. De ruzie die daarop volgde ging vooral over loyaliteit. Ze voelden zich, door elkaar, verraden. En dat is het ergste wat een Pool kan overkomen.

De vriend die op de verliezende partij had gestemd wilde zelfs emigreren. “In een land met zoveel idioten wil ik niet meer wonen“, zei hij. Die idioten waren natuurlijk de winnaars van de verkiezingen. Dus ook zijn vriend, met wie hij tien jaar lang geregeld biertjes had gedronken in het café. Verraad, in het schijnsel der barlampen.

Het Poolse woord voor verrader is zdrajca (spreek uit: zdraaitsa). Ik ben de tel kwijtgeraakt, maar in Potop vliegt het om de zoveel scènes voorbij, soms wel drie keer in één zin, in combinatie met allerlei andere verwensingen. Alles in de film draait om trouw of de schending daarvan: jij bent aardig voor mij dus ben ik het voor jou. Principes doen er eigenlijk niet toe: je bent een gigantische beul en sadist, maar je bent aardig voor mij, dus ... enzovoorts.

“Voor een doorsnee Pool is een onbenullige verrader erger dan een levensbedreigende vijand“, zo legde een oudere Pool mij onlangs uit. “Het is een dorpsmentaliteit, waarvan we maar heel moeilijk genezen.“

De huidige onwil van Poolse politieke partijen om een fatsoenlijke coalitie te sluiten die het land de komende jaren rustig kan regeren, spreekt boekdelen. De beschuldigingen van landverraad vliegen al maanden over en weer, alsof de tijden van Kmicic nooit zijn weggeweest. Die levensbedreigende vijand heet ditmaal “tijd', want Polen heeft als kersvers lid van de Europese Unie geen tijd te verliezen om de grote achterstand in te halen.

De obsessie met trouw is begrijpelijk. Polen heeft maar al te vaak gemerkt wat verraad betekent, de laatste keer na de Tweede Wereldoorlog, toen de geallieerden het land, op aandringen van Stalin, als een baksteen lieten vallen. Maar die Grote Geschiedenis concurreert hevig met tienduizenden Kleine Geschiedenissen, over complimentjes die niet werden gegeven en nare opmerkingen die wel werden gemaakt. Wie een gesprek voert met een Pool, maar niet precies weet waar diens loyaliteiten liggen, kan lelijk de fout ingaan.

Trouw en verraad zijn in Polen overigens uiterst rekbare begrippen, die door iedereen anders worden uitgelegd. Zo wordt de twee jaar geleden overleden kolonel Ryszard Kuklinski, die in de jaren zeventig supergeheime documenten van het Warschaupact doorspeelde aan de CIA, door sommigen als held van de Koude Oorlog gezien, terwijl anderen hem een landverrader vinden. Dat het land dat hij “verried' onvrij en communistisch was doet niet ter zake: trouw zweren doe je maar één keer.

In Hoffmans Potop raakt kolonel Kmicic ernstig verstrikt in dat irrationele web aan loyaliteiten. Hij is de vleesgeworden wanhoop. Hij zweert trouw aan de verkeerde mensen en komt zo tijdens de Pools-Zweedse oorlog (in de zeventiende eeuw) oog in oog te staan met zijn beste vrienden. Als Kmicic voor de zoveelste keer beseft dat hij de verkeerde keuzes heeft gemaakt, verzucht hij: “Ik ben voor eeuwig gedoemd.“ Hoffman en Sienkiewicz zeggen hier eigenlijk: Polen is voor eeuwig gedoemd.

Gelukkig is de werkelijkheid geen film. Mijn twee ruziënde vrienden praten inmiddels weer met elkaar, zij het dat de onderhuidse ergernis nog steeds duidelijk voelbaar is. Maar het is een begin. De uitgang van het dorp is in zicht. Lange leve de grote stad.