Binding zonder noodzaak

Van sommige overheidsrapporten word ik treurig zonder dat ik goed kan zeggen waarom. Zo'n rapport is Niet langer met de ruggen naar elkaar. Een advies over verbinden van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, deze week aangeboden aan minister Verdonk. Het is helemaal geen slecht rapport, daar ligt het niet aan. Het staat vol wijze wenken en aanbevelingen om de contacten tussen autochtonen en allochtonen te bevorderen. Het is niet hyperig en modieus; wie goed leest kan het hele advies interpreteren als eerherstel voor de veel gesmade opbouwwerkers uit de jaren zeventig. En het leest lekker weg. Het telt vele uitgebreide, levendige beschrijvingen van gemeentelijke integratieprojecten, zoals het Rotterdamse Opzoomeren, waarbij buurtbewoners (autochtone en allochtone, maar in de praktijk doorgaans autochtone) al dan niet samen met welzijnswerkers, de handen ineenslaan om hun straat 'schoon, heel en veilig te houden'. Of de 'digitale trapveldjes' in Overtoomse Veld, waar jongeren (autochtone en allochtone, maar in praktijk doorgaans allochtone) onder deskundige leiding kunnen computeren in een clubhuis. De Raad adviseert om allerlei soorten ontmoetingsmogelijkheden voor allochtonen en autochtonen te organiseren en om deze, waar dat kan, een structureel karakter te geven. Een straatbarbecue of voetbaltoernooi voor de buurt is leuk, maar beter is een straatcompetitie met wekelijkse wedstrijden.

Ik moet bekennen dat ik zelf zo'n buurtbewoner ben die een jaarlijkse straatbarbecue mooi zat vind qua buurtparticipatie. Ik heb ook zomaar het idee dat ik met verschillende buurtbewoners prima overweg kan, juist omdat de contacten daartoe beperkt zijn, maar ik neem aan dat de RMO mijn soort mensen niet echt voor ogen heeft. Het advies gaat vooral over kinderen, jongeren, VUT'ters en bejaarden voor wie een terugkerend ritme van buurtactiviteiten vooral leuk zou moeten zijn en geen extra belasting.

Mijn somberheid komt niet door het advies, maar door de harde waarheid achter het advies. Volgens de RMO zijn er drie soorten positieve menselijke relaties: 1) mensen hebben elkaar nodig, 2) mensen komen elkaar tegen en 3) mensen vinden elkaar aardig. Vaak vallen de drie samen: je hebt je collega nodig, je komt hem regelmatig tegen en je vindt hem aardig. Datzelfde geldt op een andere manier voor je geliefde. Soms gaat het om twee van de drie vormen: verenigingsleden komen elkaar tegen en vinden elkaar aardig. Werknemers hebben hun baas nodig, zien hem veelvuldig maar vinden hem stiekem een hork. Werknemers bezoeken zakelijke recepties om te netwerken, met diepere sympathie voor de ander heeft dat niet zoveel te maken.

De lokale initiatieven om binding tussen allochtone en autochtone burgers te organiseren zijn type 2 projecten. Allochtonen en autochtonen komen elkaar zonder dit soort projecten veel te weinig tegen. Allochtonen wonen immers in concentratiebuurten, bezoeken een moskee of kerk die vooral gericht is op hun etnische groep, trouwen veelvuldig met geloofsgenoten met dezelfde etnische herkomst en sturen hun kinderen naar de dichtstbijzijnde school, die doorgaans bezocht wordt door andere allochtone kinderen. Waar een spreidingsbeleid in de volkshuisvesting of het onderwijs niet meer lukt (omdat er in de grote steden te weinig autochtonen over zijn) moet er worden gegrepen naar andere middelen, variërend van 'Makker-projecten' (allochtone leerling wordt gekoppeld aan een jong volwassen makker die kan fungeren als rolmodel en inspiratiebron), tot logeerprojecten (autochtone schoolkinderen uit de Zaanstreek gaan een etmaal logeren bij Turkse gezinnen in Turkije) of taalles duo's (autochtone vrijwilliger wordt gedurende een jaar gekoppeld aan allochtone nieuwkomer).

De Raad signaleert dat het organiseren van type 2 relaties lang niet altijd leidt tot type 3 gevoelens. Soms wel natuurlijk; de islamdebatten in Rotterdamse wijken hebben volgens de RMO het begrip tussen autochtonen en allochtonen vergroot. Maar mensen kunnen door een nadere kennismaking en zeker door geregeld contact ook een flinke hekel aan elkaar krijgen. De echte tragedie zit hem echter in het feit dat er tussen autochtonen en allochtonen heel weinig type 1 relaties bestaan, althans wat de autochtonen betreft. Autochtonen hoeven zelden te netwerken met allochtonen, zij hebben geen allochtone bazen of belangrijke relaties en in de meeste gevallen zouden zij zich ook wel redden zonder allochtoon personeel. Omgekeerd moeten allochtonen wel met autochtonen netwerken, als zij de taal goed willen leren en er iets van willen maken in Nederland. Dat maakt de relatie onevenwichtig: allochtonen moeten integreren uit eigen belang en autochtonen behoren het te willen om morele redenen. Aan autochtonen die hun best doen om contact te leggen met allochtonen hangt daarom een aura van altruïsme en goede daden, waar moderne westerlingen zich ongemakkelijk bij voelen ('Kijk mij eens heel sociaal een praatje maken met mijn allochtone buurtgenoot!'). Het is heel wel mogelijk dat deze gène van autochtonen afstraalt en voor allochtonen direct zichtbaar is, wat een verdere soepele omgang niet bevordert. Hoe moeten we ons opstellen in dit soort ongelijkwaardige relaties? Daar geeft het RMO-advies geen antwoord op en eerlijk gezegd weet ik het ook niet.