Altijd zoeken naar “ik wist niet wat'

In 1911 schreef Arthur van Schendel (1874-1946) twee beschouwingen over het schrijverschap, die nooit zijn gepubliceerd. Ze zijn in handschrift vastgelegd. Voor liefhebbers van zijn werk zijn deze overwegingen interessant, en voor wie in literatuur is geïnteresseerd niet minder. Van Schendel vindt dat een schrijver weten moet “wat hij wil' en voor alles daarin “duidelijk zijn'. Als voorwaarde voor het schrijven kent hij aan een schrijver drie belangrijke gaven toe: begrip, bezieling en aandacht. Dat is niet voldoende: ook moet een schrijver vaardig zijn en weten te bekoren.

Met het begrip “bezieling' is van Schendels omvangrijke oeuvre van romans en korte verhalen het scherpst getypeerd. In de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog was Van Schendel een geliefd auteur met bekende romans als Een zwerver verliefd (1904), Een zwerver verdwaald (1907) en het meesterwerk Het fregatschip Johanna Maria (1930). Vooral over de eerste twee romans wordt vaak gezegd dat ze een poëtische, dromerig-romantische wereld oproepen. Dat de beide Zwerver-romans, zoals ze genoemd worden, ook over het noodlot gaan is minder bekend. Lange tijd leidde het werk van Van Schendel helaas een onzichtbaar bestaan, en dat is een nogal schandalig uitgeversbeleid voor een van onze belangrijkste prozaschrijvers en winnaar van de P.C. Hooftprijs 1947. Gelukkig zijn vier van zijn belangrijkste romans uit de neoromantische periode nu herdrukt en kan de hedendaagse lezer kennismaken met een oeuvre dat een eeuw geleden is ontstaan.

Het is een mooi begrip natuurlijk, het noodlot, maar welk noodlot beheerste Van Schendel? Hij heeft geweigerd ooit een interview te geven, maar gelukkig uitte hij zich wel in brieven. Als we Van Schendels noodlotsgedachte combineren met een verliefde dan wel verdwaalde zwerver komen we een heel eind. Zijn hoofdpersonen lijden aan rusteloosheid. Dat is niet zomaar ongedurigheid, ze zoeken naar de vervulling van een diep en intens geluksverlangen, naar balsem voor hun gekwelde ziel.

Van Schendel noemt zichzelf in een persoonlijk document een “rusteloze loper' die wordt voortgejaagd door een onbekend verlangen, die “ergens vinden moest ik wist niet wat'. Dat klinkt misschien vaag, dat zoeken naar “ik wist niet wat', maar als je er goed over nadenkt dan schuilt hierin inderdaad tragiek. Bij het woord romantisch heeft de lezer van nu geheel verkeerde associaties, zoals Maarten Doorman betoogt in zijn recente studie De romantische orde (2004). De romantiek was een grimmige, donkere en harde tijdsperiode, zeker ook in de literatuur en de muziek. Verlangen kan iets dodelijks hebben.

De landschappen waar de zwerver Tamalone doorheen dwaalt, ademen een Italiaanse sfeer. Soms noemt Van Schendel een stad of landstreek bij de naam, meestal niet. Pisa komt voor, en Venetië. Maar meestal is het een landschap van de ziel dat de schrijver ons aanbiedt, zoals in de volgende passage: 'Het duister verlangen van weleer naar hartstochtelijke daden en ontroeringen kwam maar zeldzaam in zijn gemoed, de vreugde van het zonlicht en de wolken aan de hemel en van de beelden, die enkel beelden bleven, was zijn enig bezit, hij wist dat er geen toekomst was'.

De toevoeging “hij wist dat er geen toekomst was' is aangrijpend. Het besef dat hij geen perspectief heeft, maakt het ronddolen van Tamalone door archaïsche landschappen nutteloos. Datzelfde besef van tragische nutteloosheid, van gefnuikt streven, spreekt ook uit een van de mooiste romans van de vorige eeuw, namelijk Het fregatschip Johanna Maria. Deze roman gaat over de strijd tussen een kapitein en zijn ondergeschikte, de zeilmaker Brouwer. Maar uiteindelijk houdt de laatste het meest van zijn schip. In het schokkende slothoofdstuk valt hij uit de beijzelde mast van het schip dood op het dek. Hij heeft zijn grote liefde aan dit zeilschip verpand, tevergeefs. Het is niet alleen zijn dood die de lezer beklemt. Heel subtiel, bijna onmerkbaar, schetst Van Schendel de historische ontwikkeling van de zeevaart. In de tijd dat Brouwer met vaardige hand de Johanna Maria over de golven stuurt, dient de nieuwe, industriële tijd zich aan met gemotoriseerde boten. Toch blijft Brouwer geloven in zijn schip, al heeft hij geen toekomst. Het schip blijft eenzaam aan de kade liggen. Van Schendel eindigt met de prachtige waarneming: “In de heldere zomer onder witte wolken, in de winter onder grijze lucht, in de nevelige herfst, in het waaiend voorjaar lag het schip stil met zijn romp en zijn masten weerspiegeld in het water, in regen en wind en zon'. Al is er geen toekomst, het laatste woord is toch weer “zon'.

De vier romans in deze omnibus, inclusief het blijmoedige De wereld een dansfeest (1938), geven een indrukwekkend overzicht van Van Schendels thematische en stilistische ontwikkeling. Het fregatschip Johanna Maria munt uit in doeltreffende, Hollandse soberheid terwijl de barokke schildering in Een zwerver verliefd aansluit bij de Italiaanse droomlandschappen. Na lezing van meer dan vierhonderd bladzijden is het voor de hedendaagse lezer gelukkig duidelijk: Van Schendel behoort tot de literaire canon, al is hij nog zo vaak vergeten. Vanaf nu niet meer. Bij uitgeverij Athenaeum - Polak & Van Gennep zijn ook de zogeheten Hollandse romans in voorbereiding, waaronder De waterman en Een Hollands drama.

Arthur van Schendel: Een zwerver verliefd, Een zwerver verdwaald, Het fregatschip Johanna Maria, De wereld een dansfeest. Athenaeum - Polak & Van Gennep, 404 blz. euro 19,95.

Volgend jaar verschijnt van Kester Freriks de biografie van Arthur van Schendel, “Het opgejaagde schip'.