Nergens vrij spel voor IAEA-inspecteurs

Het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) praat in Wenen over doorverwijzing van Iran naar de VN-Veiligheidsraad. Op zichzelf valt op Irans handelen niet zoveel aan te merken als vaak wordt gesuggereerd.

Vandaag vergaderen de 35 leden van de beheersraad van het IAEA in Wenen over de vraag of 'de kwestie Iran' moet worden doorverwezen naar de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. In een ontwerpresolutie wordt daarom gevraagd. Iran zou onvoldoende met het IAEA hebben samengewerkt in het onderzoek naar de aard van zijn atoomprogramma. Dat zou een schending zijn van het nucleaire Non-proliferatieverdrag (NPV).

Verwacht wordt dat de beheersraad de kwestie zal doorverwijzen. Maar vanzelfsprekend is dit op zichzelf niet want op Irans nucleaire handelen valt lang zoveel niet aan te merken als vaak wordt gesuggereerd. Een kort overzicht maakt dit duidelijk.

Iran sloot zich al onder de toenmalige sjah aan bij het NPV. Dat verdrag geeft partijen toegang, ja zelfs recht op nucleaire technologie op voorwaarde dat zij afzien van de ontwikkeling van kernwapens. Ze zijn verplicht zich te laten controleren en uitbreiding van hun nucleaire installaties aan te melden. Na de Iraanse islamitische revolutie van 1979 leek het er korte tijd op dat Iran afscheid zou nemen van kernenergie. Maar al gauw werd de waarde van uranium ingezien, en zelfs is incidenteel wel verklaard dat Iran eigenlijk kernwapens zou moeten hebben. Dat was wel verklaarbaar want tussen 1980 en 1988 is met aartsvijand Irak een bloedige oorlog uitgevochten waarbij Irak chemische wapens inzette, en in de regio zijn Rusland, Pakistan, India en Israël kernwapenmachten.

Iran - dat ten stelligste ontkent in het geheim aan een atoomwapen te werken - heeft in principe groot belang bij het bezit daarvan ter afschrikking. Daarom is het redelijk dat het Westen aanneemt dat de huidige Iraanse nucleaire inspanningen zijn gericht op ontwikkeling van zo'n wapen. Het probleem is dat het NPV nauwelijks kan worden gebruikt om Iran veroordeeld te krijgen zolang het niet feitelijk en aantoonbaar aan zo'n atoombom werkt. Per slot van rekening staat Iran inspecties toe en zelfs volgens de indringende regels van het nieuwe 'Additionele Protocol'.

Het ernstigste dat Iran wordt verweten is dat het een omvangrijk nucleair programma had opgetuigd zonder het IAEA daarvan op de hoogte te stellen. Er werd gewerkt aan uraniumverrijking en er was een fabriek gebouwd voor productie van zwaar water waarmee een kleine reactor uit natuurlijk uranium plutonium zou kunnen maken. Het bestaan ervan werd in augustus 2002 onthuld door een Iraanse gewapende verzetsgroep. Iran heeft verklaard dat het er steeds van uit ging dat de activiteiten pas gemeld moesten worden zodra er splijtstof was aangebracht. Later is wel aangevoerd dat de geheimhouding commerciële strategie was. Vast staat dat de geheime installaties nog niet in werking waren gebracht.

Een ander verwijt is dat Iran nog steeds niet de laatste details over zijn verborgen programma heeft vrijgegeven; steeds zijn er weer kleine verrassingen.

Ten slotte zouden IAEA-inspecteurs niet altijd overal even makkelijk toegang krijgen.

Dat klinkt verdacht, maar men dient te bedenken dat IAEA-inspecteurs in geen enkel land carte blanche krijgen. IAEA-inspectieteams bestaan uit nucleaire deskundigen van velerlei herkomst en er dreigt altijd economische spionage. Bovendien sluimert in veel landen ergernis over de verplichting zich onbeperkt door het IAEA te laten inspecteren. Ook de landen van de Europese Unie, die zichzelf door Euratominspecteurs laten controleren, hebben IAEA-inspecteurs tegengehouden. Ook Brazilië houdt ze soms op afstand. De als 'wapenstaat' bij het NPV aangesloten landen - de VS, Groot-Brittannië, Rusland, Frankrijk en China - worden lang niet helemaal of zelfs helemaal niet geïnspecteerd. Zij kennen op zijn best 'vrijwillige inspecties'. Hun militaire programma's blijven gesloten.

De Iraanse kwestie is gecompliceerd geworden door Iraanse toezeggingen aan Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland (de EU-3).

Iran heeft zich tot tweemaal toe bereid getoond om in ruil voor grootschalige technologische hulp (ook nucleaire) de ontwikkeling van de verrijkingsinstallatie voor uranium tijdelijk op te schorten. Nooit is gezegd dat die zou worden 'beëindigd' of 'afgebouwd' en er is ook niets in het NPV dat het land daartoe verplicht.

Toch ontstond grote consternatie toen Iran vorig jaar uit ergernis over het zwak geachte Europese tegenbod een einde maakte aan de opschorting, eerst door opnieuw aan de productie van hexafluoride (conversie) te beginnen, vervolgens door ook het werk aan de opbouw van de verrijkingsinstallatie te hervatten. Overigens is van daadwerkelijke uraniumverrijking nog helemaal geen sprake. Toch zijn het die laatste, bijna symbolische stappen die de emmer deden overlopen.

De voortvarendheid waarmee Iran nu wordt aangepakt contrasteert met de wijze waarop landen als Israël, India en Pakistan tegemoet werden getreden. Stuk voor stuk hebben zij de internationale gemeenschap in hun race naar de bom bedrogen. Weliswaar is geen van deze drie landen aangesloten bij het NPV, maar toch zijn er voldoende mogelijkheden geweest om hun kernwapenprogramma's te dwarsbomen of om hen economisch te straffen. Israël zelf ging in 1981 zover de nucleaire installaties van NPV-staat Irak te vernietigen, tot woede van het IAEA.

Alleen Pakistan is korte tijd beperkt economisch geboycot, totdat de Sovjet-Unie eind 1979 het buurland Afghanistan binnenviel en het land een onmisbare bondgenoot van het Westen werd. India, dat nog in 1998 een aantal kernwapens tot explosie bracht, kreeg vorig jaar juli van president Bush expliciete nucleaire en militaire hulp aangeboden als een 'verantwoordelijke staat'.

Zelfs Noord-Korea, dat openlijk heeft verklaard aan een atoombom te werken, wordt voorlopig met fluwelen handschoenen aangepakt. In 1993 verzocht de Veiligheidsraad op verzoek van het IAEA Pyongyang toch vooral met het IAEA samen te werken, in 2003 sprak de Veiligheidsraad 'bezorgdheid' uit.

Tegen deze achtergrond bezien lijkt de internationale actie tegen Iran buitensporig. Zolang Iran zich volgens de indringende procedures van het Additionele Protocol laat inspecteren kan tijdig worden vastgesteld wanneer het civiele nucleaire programma een militaire wending neemt.