Mooi eerbetoon aan Afrika's veerkracht en zijn dansers

Le Sacre du Printemps, door Compagnie Heddy Maalem. Choreografie: Heddy Maalem. Gezien: 1/2 in Het Muziektheater te Amsterdam. Herhaling aldaar: 3 en 4/2. Inl.: (020) 5518135 of www.gastprogrammering.nl

Een geheven zwarte vuist op het podium en een moslima die dit joelend beantwoordt. Het was een opvallend rebels gebaar na afloop van Heddy Maalems zwart Afrikaanse versie van Le Sacre du Printemps. Maar die reactie ging wat verloren in het stevige applaus, uit waardering voor de enerverende en geladen choreografie, en voor de veertien Afrikaanse dansers van Maalems gezelschap. Gekleed in gifgroene, helpaarse, cyclaamrode en zongele bikini's en badbroeken voltrokken zij vol energieke drift Strawinky's offerdans ritueel.

Ooit werd de Sacre gezien als orgastische verklanking van het ontwaken van de lente, en tegelijkertijd als prelude op het geweld van de Eerste Wereldoorlog. De Fransman Heddy Maalem verplaatst het imaginaire strijdtoneel van de Russische aarde naar zwart Afrika, specifiek naar Lagos, Nigeria. En verbindt in zijn dansstuk een levensscheppende oerdrift met een wrede lust tot vernietiging. Wat dus erg à la Strawinsky blijft.

Maalem laat de dansers op de explosieve klankuitbarstingen schudden, boksen, trillen en werpen. Dat verraadt zijn achtergrond als bokser en beoefenaar van aikido. Een enkele danser heeft ook een ruwe achtergrond (straatvoetbal) maar vaker zijn het professionele dansers. De dans is hoofdzakelijk West Afrikaans en dat is een aantrekkelijk genre: met van die korte sprongen die, hup, recht de lucht ingaan, de benen hoog opgetrokken, vogelhanden met gespreide vingers, hoekig gebogen voeten, messcherpe heupbewegingen. Vol spanning en tegelijkertijd ingehouden, beheerst. Dat onversneden Afrikaanse is spannend - en atletisch, omdat veel mensen uit deze hoek van Afrika (Senegal, Mali, Negeria en Benin) lang van leden zijn en een expressie hebben die eerder sportief overkomt dan zacht of sensueel.

Gelukkig kreeg niet elke noot een pas, zoals bij Nijinsky's gereconstrueerde oerversie. Maalem gebruikt juist stiltes. Hij laat dansers bevriezen in sliertige groepsformaties die hun onderlinge verbondenheid suggereren. Het contrast tussen muzikale hectiek versus rust werkt. Wat mooi ongepolijst woedend is, komt zo extra dramatisch tot uitdrukking.

Fraai zijn eveneens de ruw gestileerde videobeelden van Benoît Dervaux, die telkens dienen als proloog bij de scènes. Bij de Aanbidding van de aarde tonen de schokkerige beelden de natuur met planten en vruchten. Bij Het offer zijn dat Afrikaanse stedelingen, die met een bijl die natuur te lijf gaan, bomen kappen en olie uit de aarde (laten) halen. De beelden zijn opgenomen in Lagos. Bij de epiloog - die helaas het einde ontkracht - zie je beelden van een paard, archetype voor leven, erotiek en de dood. De videobeelden zijn fraai bij de voorstelling betrokken, juist doordat ze gescheiden zijn gehouden van de dans en daaraan toch betekenis geven: want behalve dat Maalems Sacre handelt over strijd tussen de seksen, over haat en liefde, over erotiek en agressie, gaat zijn ballet over de kracht van de natuur, en over de bedreigende vernietiging daarvan. Meer dan een bitter politiek pamflet over zwart tegen blank, arm versus rijk, werd zijn Sacre vooral toch een eerbetoon aan de veerkracht van Afrikanen, en impliciet aan deze Afrikaanse dansers.