Joods kunsthandelaar 'met te veel grandeur'

Jacques Goudstikker was niet zo maar een handelaar in kunst. Zijn zaak aan de Herengracht was een begrip in Amsterdam en ver daar buiten. In zijn buiten hield hij diners en exposities. Het Concertgebouworkest fleurde er feesten op. Over de teruggave van een deel van zijn enorme nalatenschap neemt het Kabinet binnenkort een besluit.

Pagina uit het zwartleren boekje dat Jacques Goudstikker op zak had bij zijn vlucht naar Engeland. Hij hield zijn bezit er in bij. (www.gemeentearchief.amsterdam.nl) www.gemeentearchief.amsterdam.nl

Jacques Goudstikker was 22 jaar oud toen hij in 1919 ging werken in de kunsthandel van zijn vader Eduard aan de Amsterdamse Kalverstraat. Hij had de Middelbare Handelsschool doorlopen en terwijl hij assisteerde in de zaak van zijn vader volgde hij colleges kunstgeschiedenis in Leiden en Utrecht waarbij zijn belangstelling vooral uitging naar de 17de eeuwse Hollandse schilderkunst. De kunsthandel Goudstikker, die in 1845 was opgericht door de grootvader en oudoom van Jacques, was al jarenlang een begrip in Amsterdam, maar het was Jacques Goudstikker die de zaak na de dood van zijn vader in 1924 tot grote bloei bracht, allure gaf en internationaal bekend maakte. In 1927 kocht hij een monumentaal pand uit 1666 in de Gouden Bocht van de Herengracht en sloot hij de oude kunstzaak aan de Kalverstraat.

Aan de Herengracht had de kunsthandel van meet af aan een voor Nederland ongekende luister. In een boekje uit 1930 over de bezienswaardigheden van Amsterdam is een heel hoofdstuk gewijd aan de 'imposante' firma Goudstikker, waar men 'en passant Giotto en Memlinck, Rembrandt, Hercules Seghers en El Greco' kon bewonderen en waar elke schildersschool een 'ideale entourage' had gekregen. Zo waren de schilderijen van Rembrandt, Frans Hals, Jan van Goyen en andere meesters uit de Gouden Eeuw ondergebracht in de Grote Zaal, met plafondschilderingen van De Lairesse, hingen de 18de-eeuwse Franse schilders in de Empire salon en de Vlaamse primitieven in een sober middeleeuws vertrek.

In 1930 kocht Goudstikker het buiten Oostermeer aan de Amstel, waar hij ging wonen, en het kasteel Nijenrode aan de Vecht. Om 'voor de kunst van het verleden meer algemene belangstelling te wekken”, zoals hij zelf schreef, stelde hij het kasteel, dat ook over een restaurant beschikte, open voor het publiek. Naast exposities organiseerde hij hier diners, recepties en concerten. In het dagblad De Tijd werd hij als 'kunstzinnig kasteelheer' vergeleken met P.C.Hooft en zijn Muiderkring.

Naast de exposities aan de Herengracht en in het kasteel Nijenrode - waarbij vaak schitterende catalogi verschenen - organiseerde Goudstikker in 1929 en 1936 ook exposities in het Rijksmuseum. Dat deed hij als voorzitter van de Vereniging van handelaren in oude kunst. En het Stedelijk Museum kon door zijn toedoen in 1934 een enorme tentoonstelling van Italiaanse kunst in Nederlands bezit openen.

Hoewel de kunsthandel van Jacques Goudstikker tot aan zijn dood in 1940 een bloeiend bedrijf bleef, dat bovendien steeds meer internationaal ging opereren, ging de economische crisis uit de jaren dertig niet helemaal aan hem voorbij. En er was nog een zorgwekkende omstandigheid: in 1933 kwam in Duitsland Hitler aan de macht. Voor Goudstikker was dat een reden om geen zaken meer te willen doen met de Duitsers, wat natuurlijk in het voordeel was van zijn concurrenten. In Nederland hielp hij voor de nazi's gevluchte joden.

In het artikel Een heer in de kunsthandel dat Ageeth Scherphuis in 1990 in Vrij Nederland publiceerde, vertelde de Amsterdamse kunsthandelaar Lodewijk Houthakker dat Goudstikker een beetje 'als een parvenu” werd bekeken en 'als een jood die zijn plaats niet kent”. Hij voegde daar aan toe: 'Zijn stijl en grandeur pasten niet in Nederland.' Alles wat hij ondernam was tot in de puntjes verzorgd en geld leek nooit een rol te spelen.

Toen Goudstikker in 1937 op Nijenrode een Weense avond organiseerde had hij niet alleen het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg ingehuurd, maar liet hij ook de pluche stoelen uit het Amsterdamse Concertgebouw naar zijn kasteel verhuizen. Voor deze memorabele avond had hij de Weense zangeres Dési von Halban uitgenodigd, de in 1912 geboren dochter van de vermaarde, joodse operazangeres Selma Kurz en de gynaecoloog Josef von Halban. Met haar zou hij een half jaar later, eind 1937, trouwen. Dési, die in 1996 overleed, vertelde in 1990 aan Ageeth Scherphuis dat het liefde op het eerste gezicht was: 'Toen ik Jacques zag, wist ik het meteen: dat is hem.'

In 1939 werd hun zoontje Edouard geboren. Kort daarna voltrok zich het grote drama. Door de oorlogsdreiging wilde Dési Nederland voorjaar 1940 ontvluchten. Maar haar man bleef aarzelen. Hij kon er niet toe komen 'het land dat mij zo boven alles lief is” te verlaten, zoals hij aan een vriend schreef. Zo kwam het dat ze pas op 14 mei 1940, vier dagen na de Duitse inval in Nederland, met de S.S. Bodegraven naar Engeland vertrokken. Goudstikker viel op het vrachtschip door een luik in het ruim en overleed. Hij werd begraven in Laughton in Zuid-Engeland. Zijn vrouw en zoontje reisden door naar Amerika. Zijn kunsthandel kwam in Duitse handen en de meeste van de 1300 schilderijen die hij in voorraad had kocht de Duitse rijksmaarschalk Hermann Göring op.

Van al die kunstwerken zou Dési na de oorlog nauwelijks iets terugzien. Tegen een vriendin zei ze later verdrietig: 'Ik had de collectie willen schenken, maar zij hebben hem genomen.' Met dat 'zij' doelde Dési op de Nederlandse staat die wat er uit Duitsland terug was gehaald van de Goudstikker-collectie in bezit had genomen.