Op hoop van zegen

Als dit kabinet de Talibaan en de papaverboeren in Uruzgan even vlug en braaf in het gareel weet te krijgen als de Haagse oppositie, loopt het voorbeeldig af met deze missie. Het is knap werk van de ministers, hun geestverwanten in de Tweede Kamer, de militaire deskundigen en de goede raadgevers uit het buitenland. In het begin van het jaar gaf Paul Bremer III, nog bekend van zijn rol in Irak, een interview aan een paar Nederlandse media, waaronder deze krant. Daarin liet hij weten dat in Amerika iets voor Nederland zou zwaaien als we geen troepen naar Afghanistan stuurden. Onderminister Daniel Fried zei dat Amerika “perplex' zou staan. Het leek op inmenging in binnenlandse aangelegenheden, het joeg de oppositie verder in het harnas en het bracht de voorstanders in verlegenheid. Kennelijk is achter de schermen toen het roer omgegooid. En nu, binnen een maand, is een afwijzende meerderheid met een verbitterde kern tot een hoopvol gestemde club omgetoverd, terwijl de oude kern ontredderd en beteuterd achterblijft. Respect.

Dat Nederland in Afghanistan van de beste bedoelingen bezield is, is boven alle twijfel verheven. Zo is het met al onze buitenlandse missies, axiomatisch. Dat ik van het begin af tegen de uitzending naar Uruzgan ben geweest, heeft drie redenen.

De eerste gaat over de vraag of “wij', het contingent van 1.200 tot 1.400 soldaten, in staat zullen zijn, in een van de onoverzichtelijkste en gevaarlijkste gebieden ter wereld iets te “wederopbouwen' terwijl naar onze maatstaven daar nog voor het eerst gebouwd moet worden. Beroepshulpverleners als Artsen zonder Grenzen, die voor geen kleintje vervaard zijn, zien er geen mogelijkheden. De journalist Arnold Karskens, bekend van Irak en andere fronten, en waarschijnlijk de enige vakman die daar is geweest, vond dat de Kamerleden beter eerst zelf konden gaan kijken voor ze een beslissing namen. Een korte verkenning van een Kamercommissie ter plaatse was de democratie ten goede gekomen.

Minister Bot heeft president Karzai gevraagd, de gouverneur van de provincie te vervangen. Deze Jan Mohammed Khan is weliswaar tegen de Talibaan, maar misschien niet op de goede manier. En dan blijft het een grote vraag, wat we met de papaverteelt moeten doen, de grondstof voor de opium waarvan Afghanistan de grootste exporteur is, en waarin de boeren van Uzurgan zich niet onbetuigd laten. Zo zijn er nog ettelijke onzekerheden. Een vredesmissie vertrekt altijd naar een chaos. In dit geval lijkt het meer op een nachtelijk doolhof na een aardbeving. Terwijl toch de illusie gewekt wordt dat we over redelijk betrouwbare kaarten beschikken.

Mijn tweede reden om tegen te zijn, komt voort uit de reputatie van de Amerikanen ter plaatse. De Amerikanen hebben de naam bij een vermoeden van onraad meteen radicaal te werk te gaan. Dit heeft hun aanvankelijke populariteit aangetast. Het kabinet, de risico's daarvan inziende, verzekert dat een scherpe scheiding zal worden gehandhaafd tussen de Amerikaanse operatie Enduring Freedom en de wederopbouwmissie ISAF waarvan de Nederlanders deel uitmaken. Laten we hopen dat het opperbevel van Enduring Freedom er even ontvankelijk voor zal zijn als de Tweede Kamer.

Indertijd heeft het de Amerikanen veel goodwill gekost toen ze een bruiloft mitrailleerden in de veronderstelling dat het een terroristische eenheid was. Nog onlangs werden bij een luchtaanval achttien Pakistaanse burgers gedood. Een vergissing. De Amerikaanse commandant dacht dat er kopstukken van Al-Qaeda tussen zaten. Bij grote risico's moet snel worden gehandeld. Kunnen straks de Nederlandse soldaten zelf de omvang van het risico bepalen en naar verhouding reageren? Ook in een omgeving waar ze de weg niet kennen, de taal niet spreken en waar de vrienden niet van de vijanden te onderscheiden zijn? Het kabinet denkt van wel. Gezien de praktijk in Irak en Afghanistan betwijfel ik het. Het is op zichzelf trouwens al absurd, dat je je best moet doen om je zo scherp mogelijk van je grote bondgenoot te onderscheiden.

Mijn derde reden. Door onze aanwezigheid in Afghanistan doen we opnieuw in mondiaal verband mee aan de oorlog tegen het terrorisme. Er is geen twijfel mogelijk: het fundamentalistisch moslimterrorisme is op het ogenblik de grootste vijand van het Westen. Dat beseffen we sinds elf september 2001. Hoe gaat het met deze “asymmetrische oorlog'? Ruim vier jaar nadat Afghanistan van de Talibaan bevrijd was en in Kabul weer gevoetbald werd, moeten 1.400 Nederlandse soldaten helpen, de vijand opnieuw te verslaan.

Op 1 mei is het drie jaar geleden dat president Bush in Irak “the end of major operations“ afkondigde. Intussen zijn er bijna 2.500 Amerikaanse soldaten gesneuveld en hebben tegen de 35.000 Iraakse burgers het leven verloren. In Palestina heeft tot schrik van het Westen de naar het fundamentalisme neigende Hamas de democratische verkiezingen gewonnen. Iran, dat verdacht wordt van kwade bedoelingen met zijn atoominstallaties, onttrekt zich aan iedere invloed van het Westen. Het beeld in zijn geheel overziend, krijgen we de indruk dat het met onze oorlog beter zou kunnen gaan. “Wij zullen overwinnen“, verzekerde president Bush opnieuw in zijn State of the Union. Dat mag je hopen. Maar zou er iets aan zijn grote strategie ontbreken?

De Nederlandse soldaten gaan naar Uruzgan. De uitslag van het Kamerdebat staat nagenoeg vast. Mijn motief om tegen te zijn is dat we op deze manier medeplichting zijn aan een mondiale strategie die tienduizenden levens heeft geëist en astronomische kosten met zich meebracht en die tot nu toe zichtbaar heeft gefaald. Op hoop van zegen. Dat is het enige wat me hier te binnen schiet.