Onzichtbare wonden van de oorlog

De oorlog is voorbij in Angola, maar nog steeds vallen slachtoffers van de landmijnen die overal in het land in de grond verstopt zijn. De kreupelen en verminkten in Angola dragen de pijn levenslang met zich mee.

Zacarias Cajuda in het revalidatiecentrum Bomba Alta in Huambo Foto Bram Vermeulen Vermeulen, Bram

Er zijn nachten dat hij gillend wakker wordt van de zeurende krampen in zijn linkerkuit. Of van de jeuk. Dan kriebelt het daar beneden zo verschrikkelijk dat hij obsessief begint te krabben. Zacarias Cajuda grinnikt en buigt zijn hoofd richting de boosdoener. Hij heeft geen linkerbeen. Al ruim elf jaar niet meer. Alleen een piepende prothese, gemaakt van ijzer en plastic.

“Membro fantasma“, noemen de artsen dat hier in Bomba Alta, het centrum voor Rehabilitatie in Huambo, een verminkte stad in de hooglanden van Angola.

Fantoompijnen. Ze blijven Zacarias achtervolgen sinds de dag dat hij met een peloton van het Angolese leger (FAA) de jungle introk op zoek naar de rebellen van Unita.

Op hun vluchtweg hadden de Unita-soldaten hun pad bedekt met landmijnen. Maar dat realiseerde Zacarias zich pas toen hij weer bij bewustzijn kwam, hangend aan een tak van een reusachtige baobab.

De oorlog is voorbij. Vier jaar nu al. Maar de kreupelen en verminkten blijven binnenstromen bij opvangcentra als Bomba Alta, ook nu de gevechten zijn gestaakt en de voormalige frontlinies tot “veilig gebied' zijn verklaard.

Het land komt nu pas in beweging. De oorlog joeg vier miljoen Angolezen, eenderde van de bevolking, op de vlucht in eigen land. Vijfhonderdduizend anderen gingen de grens over naar de opvangkampen in Zambia of Congo.

De vluchtelingenkampen zijn nu zo goed als leeg, meldde vorige maand de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties. Maar in de grond waar de Angolezen naar terugkeren, zijn volgens de voorzichtigste schatting een miljoen explosieven verborgen. In sommige provincies, zoals hier rond Huambo, zijn meer mijnen dan mensen.

In de gymzaal heffen de amputados gewichten. Ze hebben het stompje van hun afgezette been in een beugel gelegd die met een touw is bevestigd aan een zak met zand. Zo trainen ze de spieren van het bovenbeen. Zo leren ze balanceren. Jonge mannen, moeders, opa's, en een jongen van zes jaar oud. Landmijnen maken nu eenmaal geen onderscheid.

“De grootste last voor de mensen die we protheses geven, is de angst“, zegt dokter Florentino Gonga in een werkplaats vol gipsen benen en voeten. “Ze zijn vaak bang het been te bezeren dat er niet meer is.“

Gonga laat zijn magische machientje zien, een apparaat zo groot als een mobiele telefoon. Het kastje zendt stroom door elektrodes die worden verbonden met dat deel van de hersenen dat de geamputeerde ledematen ooit bediende. Zo verdwijnen de fantoompijnen uit het hoofd. Voor even althans.

Angola telt 80.000 manken, meest slachtoffers van onwetendheid tijdens de oorlog, en van ongeduld in vredestijd.

In gehuchten als Bocoio groeit de beste maïs aan de andere kant van de hobbelige weg tussen Huambo en de kust. In het hart van de mijnenvelden. Voor de boeren die na jaren terugkwamen uit de vluchtelingenkampen was het een Tantaluskwelling die velen weigerden te aanvaarden.

“Toen we hier vorig jaar arriveerden, troffen we tussen de mijnen verse aanplant van maïs en bonen aan“, zegt Cesar Coimbra van de Halo Trust, een Britse organisatie die in Angola mijnen ruimt.

Coimbra staat in Bocoio met twee collega's gebogen over een kaart vol stippen. “De rode stippen zijn de gebieden waar nog mijnen liggen“, legt hij uit. “De groene stippen zijn nu veilig. Bij de blauwe stippen zijn we nog bezig.“ De rode stippen zijn talrijk, de groene schaars. In de zuidelijke provincie Benguela zijn nu 28 velden geruimd, nog 178 te gaan. Met het huidige tempo is deze regio in 2018 mijnenvrij.

Tot het allerlaatste moment van de oorlog zetten de strijdende partijen vallen voor elkaar. Tot aan de moord op rebellenleider Jonas Savimbi, 22 februari 2002. Dat was twaalf jaar nadat organisaties als Halo Trust met het ruimen van de mijnen in Angola begonnen, in 1997 nog onder toeziend oog van Prinses Diana.

Dat was zeven jaar nadat de Angolese regering het verdrag tegen productie en gebruik van landmijnen tekende. Verdragen betekenen weinig in een oorlog die gewonnen moet worden. Een mijn is effectiever dan een kogel zeggen ze hier; een mijn houdt drie soldaten uit gevecht; het slachtoffer en de twee militairen die hem moeten ondersteunen.

Cesar Coimbra gaat voor over het zestig centimeter brede pad tussen de rijen explosieven. “Vetrouw me maar, het is veilig“, heeft hij verzekerd. Niet roken, niet rennen luidt de veiligheidsinstructie. Een kogelwerend vest en een helm met een perspex plaat beschermen het lijf voor het geval de metaaldetectors er toch eentje over het hoofd hebben gezien. De landmijnen in Angola zijn het grootste obstakel in de wederopbouw van het land. Zegt de regering. Maar het leger, dat het merendeel van de mijnen legde, weigert nog altijd de kaarten te overhandigen met de posities van de velden.

Als die kaarten al bestonden, zijn ze nu bedolven onder de Angolese bureaucratie, zegt Coimbra. “We vertrouwen vooral op de informatie van de plaatselijke bevolking.“

Het dorp leert van ervaring, legt José de Sousa uit onder een grote eucalyptus. Als een koe de lucht in vliegt, een kip of een kind, dan weet het dorp welk pad je beter niet kunt nemen. Mijnen noemt hij “aardappelen“, omdat ze soms zo onschuldig met hun kop boven de grond uitsteken. De landmijnen in Angola komen uit België en Rusland, uit China en de Verenigde Staten, Roemenië en Frankrijk, Zuid-Afrika en het Verenigd Koninkrijk. In Bocoio komt vandaag één mijn uit de grond, die nog dezelfde dag tot ontploffing wordt gebracht. De plastic huls draagt een dwingende instructie: “Voorkant richting de vijand“.