In een vergankelijk landschap

Jan van de Vliert is 70, maar het voelt, zegt hij, als 50. Er zit hem, voor zover hij weet, geen botje verkeerd. Zijn advies is: je moet niet naast de kachel gaan zitten. Je moet regelmaat houden. Je moet je niet gaan afvragen: waar doe ik het eigenlijk voor?

J. van de Vliert (Renswoude, Utr., 7 juni 1935) woont in Renswoude Nederland, Renswoude, 30-01-2006 Jan van Vliert in Renswoude PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

En waarom niet?

“Omdat je dan vereenzaamt“, zegt hij. En vereenzamen, dat is al een beetje doodgaan.

Hij heeft me natuurlijk verwacht en bij de koffie komt meteen de kaart op tafel, een voorzichtig uitgerolde stafkaart, schaal 1:25.000. Sonderausgabe, lees ik hardop, nur für den Dienstgebrauch.

Dat komt: ze hadden inkwartiering gehad van een stel Duitsers onder een Oostenrijker en toen die in 1945 de benen namen, lieten ze een tas staan. Die tas bracht hij ijlings na, in die tijd kon je maar beter geen tas met militaire bescheiden in huis hebben. Maar toen hij terugkwam, bleken ze ook nog deze kaart vergeten te hebben.

Aan de ene kant een deel van de Gelderse Vallei (en aan de andere een deel van de Schotse Hooglanden; ach, dat Duitse optimisme van weleer) - en daarvan kun je aflezen hoe de streek eruit zag toen hij geboren werd. Wat dan vooral opvalt is de Luntersche Beek, kronkelend als een neergedwarreld draadje katoen.

“Mooi“, zeg ik.

“Mooi“, zegt hij, “maar niet erg praktisch hè?“

Sinds de achttiende eeuw vormde de Gelderse Vallei een integraal onderdeel van de Grebbelinie. De waterhuishouding werd er gedicteerd door de militair-strategische belangen van het verre Holland. In geval van oorlog moest de hele streek blank kunnen worden gezet. Renswoude zou dan tegen het water worden beschermd door een ring van dijkjes - op de plattegrond vertonen die de vorm van een pothoed.

Aan deze situatie kwam pas een eind met de ruilverkaveling in 1958. De beek werd gereguleerd en een stuk van de dijkring afgegraven, houtwallen werden verwijderd en kavels vergroot en rechtgetrokken.

“En daar hebben jullie je voordeel mee gedaan“, zeg ik.

“Natuurlijk“, zegt hij.

Zijn vader was hier in 1930 begonnen met acht koeien op de deel. Toen hij in 1947 (“hij was best wel vooruitstrevend hoor“) een autotrekker aanschafte, zo'n omgebouwde A-Ford, gingen de paarden eruit en konden er vier koeien bij. In 1968 werd er een schuurtje gebouwd - vijftien koeien. In 1974 werd er een stal gebouwd - twintig koeien én een melktank. En in 1971 was er een varkensschuur bij gezet - vierentwintig fokzeugen en twintig kraamhokken.

In 1983 nam Jan (“ik ben nooit getrouwd geweest, maar ik heb wel een vriendin“) het bedrijf officieel over. In 1989 deed hij de koeien eruit omdat hij wel eens wat anders wou dan alleen maar werken. Daarna had hij nog een tijdlang een gesloten varkensbedrijf. Nu resten van de hele levende have nog tweehonderd mestvarkens. Die arriveren op een leeftijd van twee maanden en bereiken binnen vier maanden het slachtgewicht, 110 kilo - en dan vertrekken ze.

Inmiddels staat het landschap, waarin dit alles zich heeft afgespeeld, ook weer op de tocht. De beek moet weer gaan kronkelen, het dijkje moet worden hersteld (nu als wandelroute) en er schijnt geld te komen voor de inrichting van landgoederen. Kortom, zoals het vijftig jaar geleden werd ingericht voor de koe, zo wordt het nu ingericht voor de recreatie (en de natuur, zou je daaraan kunnen toevoegen, maar gezien de functie van natuur in ons land kan met “recreatie' worden volstaan).

Nu zou je kunnen zeggen dat de gemiddelde levensduur van een landschap in Nederland inderdaad tot maar een halve eeuw is teruggebracht en dat dat een buitengewoon verontrustend facet is van onze wegwerpcultuur - maar dat is eerder mijn verhaal dan het zijne. Hij hoort ervan, hij praat erover, maar het houdt hem niet erg bezig. Wat hem wel bezighoudt blijkt als ik even achterover leun. Dan schiet hij met de energie van een pinball door zijn leven.

Nauwelijks heeft hij als dienstplichtige het radioverkeer voor de luchtmacht gedaan of hij loopt bij de senioren zijn vijftiende Vierdaagse (“goud met kroon“). Hij zit in de drumband, hij zit in het koor, hij zit in zijn originele jeep en rijdt met oorlogsveteranen door het voormalige strijdgebied. In één adem noemt hij de KLM-Aeroclub, die tochtjes doet vanaf Lelystad, en de burgemeester van Renswoude die hem de cineast van het dorp heeft genoemd. “Als er wat te doen is in Renswouw, ben ik erbij. De concerten van de harmonie heb ik sinds 1989 op video staan.“ Nou, dat verklaart dan de overdaad aan tv-toestellen en randapparatuur in dit huis.

Tot besluit de vroegere koeienstal, nu volgestouwd met oude legervoertuigen en onderdelen daarvan, met allerlei apparaten, werktuigen en gereedschap. Ik denk: hoe meer er te zien valt, hoe minder je opneemt. Maar wat zich aan mijn oog als een chaos voordoet, vormt in het zijne kennelijk een volmaakte orde. Bij elk ding heeft hij een waarderend woord. “Want“, zegt hij, “ik pruts nou eenmaal graag.“

Nee, tot besluit de varkensschuur - een lange gang met deuren, die je aan je schooltijd herinnert. Licht aan, deur open en er komen dieren in beweging. Knor? Knor!

Je buigt je over een kaal betonnen hok en ze kijken terug met die typische varkensblik in hun ogen, een mengeling van gêne en benieuwdheid. Kom jij wat doen? Gaat er iets gebeuren? Want dat ligt daar maar, dat heeft niets te doen behalve groeien, dat vraagt zich waarschijnlijk de hele tijd af: waar doen we het eigenlijk voor?

“Wat ouder' is een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn.