“Hofstadgroep bestaat helemaal niet'

In het Hofstadproces houden de advocaten hun pleidooien. Tikkende tijdbommen? Overdreven, vinden de advocaten: het OM vervolgt de verdachten om hun gedachten.

Amsterdam, 1 febr. - De officieren van justitie lijken deze dagen weinig aandacht te hebben voor de verdediging in het Hofstadproces. Terwijl de advocaten hun pleidooien voorlezen, blijft officier Koos Plooy ongestoord typen op een toetsenbord. Zijn collega Alexander van Dam zoekt zo nu en dan wat op in een van de vele ordners in de kast achter hem. Zelf hadden ze in hun requisitoir, waarbij ze hoge straffen eisten tegen de dertien terreurverdachten, geprobeerd de rechters te overtuigen dat de samenleving veel te vrezen heeft van de verdachten. Het zijn tikkende tijdbommen, was de kern van hun betoog. De denkbeelden van de verdachten zijn zo radicaal, dat geweld vroeg of laat niet kan uitblijven.

Overdreven, zeggen de advocaten. De verdachten zijn misschien geen schatjes of ideale schoonzonen en sommige van hen hadden inderdaad wapens en explosieven die ze in een enkel geval ook hebben gebruikt, maar een dreiging voor de Nederlandse rechtsstaat zijn ze zeker niet.

Sinds afgelopen vrijdag zijn de advocaten begonnen aan hun pleidooien. Verwijzend naar allerlei Europese en Nederlandse jurisprudentie proberen de advocaten gaten te schieten in het betoog van de officieren. De Hofstadgroep bestaat niet, zeiden advocaten R. van der Horst en B. Nooitgedagt vrijdag. Er zijn geen concrete feiten waarvoor hun cliënten worden vervolgd.

Twee dagen voor het pleidooi had justitie twintig jaar geëist tegen Ismael A., de cliënt van Van der Horst. Ismael en zijn vriend Jason W. verdienden volgens justitie de hoogste straffen, omdat ze niet alleen leden waren van een terroristische groepering, maar ook poogden agenten te doden die hen wilden aanhouden op 10 november 2004. Jason W. verwondde met de handgranaat vijf leden van het arrestatieteam.

Een paniekreactie, zei Van der Horst namens Ismael. Jason werd verrast door de politie die plotseling op zijn deur bonkte, zeiden de advocaten R. Maanicus en J.W. Ausma van Jason maandag. Als hij werkelijk had willen doden, had hij wel meer dan één granaat gegooid.

De advocaten zijn fel gekant tegen de berechting van de dertien radicale moslimjongeren. In het Hofstadproces staat het denken van mensen terecht, vinden ze. Nooitgedagt, raadsman van verdachte Fahmi B.: “Als Mohammed B. Theo van Gogh niet zou hebben vermoord, waren wij hier niet bijeen geweest.“ Zijn cliënt kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de daden, de gedachten en geschriften van Mohammed B., alleen omdat hij met de moordenaar omging. Volgens Van der Horst wordt dit proces gekenmerkt door de “ongefundeerde onderbuikgevoelens“ in de strijd tegen terreur. Alleen al daarom zitten de meeste verdachten veertien maanden in voorarrest, zei Van der Horst. “Nederland is te ver doorgeschoten in de voorstellen om terrorisme te bestrijden. Ze veroorzaken een xenofobie die zijn weerga niet kent.“

Veel advocaten die tot nu toe hun pleidooi hebben voorgelezen hekelen de werkwijze van de inlichtingendienst AIVD. Het Hofstaddossier is gebouwd op AIVD-stukken, die de verdediging maar ook de rechtbank niet kan controleren op betrouwbaarheid. Het liefst zien de advocaten dat de rechtbank de stukken in de prullenbak dep[oneert, waarna vanzelf de vrijspraak moet volgen.

P. Plasman liet in eerste instantie een ander geluid horen. De advocaat van Rachid B., jeugdvriend van Mohammed B., complimenteerde maandagmiddag de officieren met hun requisitoir. Handig en bruikbaar, zei hij. “Het staat er allemaal in.“ Plooy stopte met typen, Van Dam legde zijn stift neer. Maar ze wisten dat er snel een eind zou komen aan de complimenteuze woorden van Plasman.

“Rachid B. staat hier terecht, omdat hij in de toekomst wel eens geweld zou kunnen plegen, maar hij moet van justitie nu al veroordeeld worden,“ zei Plasman. Daarmee raakte hij de kern van het proces. De vaste jurisprudentie is, zei Plasman, dat de verdachte zich bewust moet zijn van het criminele oogmerk van de groep. Plooy en Van Dam verweten in hun betoog dat de “mindere verdachten' hadden moeten weten dat de hoofdverdachten op z'n minst criminele bedoelingen hadden. Deze “move“ van de officieren noemde Plasman een “verontrustende truc“.

En waarom was de strafeis tegen Rachid B. zo laag, vroeg Plasman. Rachid, door de rechtbank al vrijgelaten, was al zestien jaar bevriend met Mohammed B. De avond voor de moord op Van Gogh maakte hij met Mohammed nog een wandeling. De moordenaar van Van Gogh liet geschriften bij hem achter.

Als justitie werkelijk gelooft dat er een terroristische organisatie bestaat rond Mohammed B., hoe kan het Rachid als randfiguur beschouwen, vroeg Plasman zich af. Zijn klant stond voor de rechter, omdat hij zich niet had gedistantieerd van het netwerk. “Maar hoe kun je je van iets distantiëren als je je er niet van bewust bent?“

Plasman: “De toekomst zal leren dat het eigen is aan onderzoeken naar terrorisme dat getracht wordt in te grijpen, voordat de situatie uit de hand heeft kunnen lopen. En dan heb je bijna altijd een dossier met speculatieve vragen als: was het serieus of stoerdoenerij?“ Zonder eenduidig bevestigend antwoord op die vraag dient zo'n dossier, zei Plasman, “met een vrijspraak te worden dichtgeklapt“.