Afremmen EU is kortzichtig

De discussie in de lidstaten over de toekomst van de Europese Unie na de verwerping van het grondwettelijk verdrag in Frankrijk en Nederland, heeft tot dusver nog maar weinig bruikbare ideeën opgeleverd. Menige vaderlandse politicus meent met de gemakkelijke vaststelling van een te grote Europese bemoeizucht een belangrijke oorzaak van de frustraties van de burger over de EU te hebben aangewezen.

PvdA en VVD lijken elkaar te willen overtroeven in het repatriëren van taken en bevoegdheden van het Europese naar het nationale niveau. Intussen is het CDA gaan dwarsliggen bij de uitbreiding van de Unie met Bulgarije en Roemenië.

Daarnaast heeft al eerder een aantal parlementariërs zich, in samenspraak met buitenlandse collega's, actief betoond met de invoering van de in de Europese “Grondwet' voorgestelde zogeheten subsidiariteitstoets. Het gaat daarbij overigens niet alleen om de vraag of bepaalde interventies niet beter door de lidstaten zelf kunnen worden ondernomen dan door organen van de EU. Ook is aan de orde of interventies überhaupt opportuun zijn dan wel hun doel voorbijschieten.

Het is te betreuren als in Nederland het denken over de toekomst van Europa ophoudt bij het vinden van middelen om de Brusselse dadendrang zoveel mogelijk af te remmen of te beteugelen. Het is misschien waar dat de EU-regelgeving, overigens vooral onder druk van de lidstaten zelf, op bepaalde terreinen (bijvoorbeeld veiligheid van woon- en werkomstandigheden en milieu) te veel is doorgeschoten. Op andere terreinen zou men juist meer actie verlangen (bijvoorbeeld de opheffing van nationale belemmeringen in de economische dienstverlening en de bestrijding van de georganiseerde misdaad). Om nog maar te zwijgen over de zwakke bevoegdheden van EU-instellingen in het domein van buitenlandse politiek en defensie.

Sommigen menen met het bestaande Verdrag van Nice wel valt te leven. Deze opvatting valt echter nauwelijks te verdedigen in het licht van het feit dat de EU met de uitbreiding van 15 naar 25 lidstaten een mutatie met onoverzienbare gevolgen heeft ondergaan.

Ze negeert ook het gegeven dat de alom gedeelde bezorgdheid over de dreigende onbestuurbaarheid van de Unie, na deze uitbreiding, enkele jaren geleden een van de belangrijkste impulsen vormde een nieuwe rechtsregeling te zoeken.

Is het daarom toch maar raadzaam een nieuwe poging te wagen de Grondwet in de afwijzingslanden geratificeerd te krijgen, bijvoorbeeld door in de preambule of in een aangehecht protocol fraaie, maar vrijblijvende woorden te wijden aan het ideaal van het “Sociale Europa'? Deze weg wordt aanbevolen door onder anderen de Duitse bondskanselier en geniet ook flinke steun in het europarlement.

Terecht heeft minister Bot deze oplossing afgewezen. Het zou een minachting betekenen van het oordeel van de vele burgers die ruim een half jaar geleden hebben tegengestemd en mogelijk het wantrouwen in het Europese project alleen maar kunnen versterken. Er bestaan geen aanwijzingen dat de kloof tussen leiders en burgers over Europa in Frankrijk en Nederland zoveel breder zou zijn dan die in andere lidstaten.

De beste methode om redelijkerwijs te waarborgen dat de EU voldoende bestuurskracht kan opbrengen de oplossingen te vinden die de meeste burgers van haar verwachten, is die van aanpassing van het bestaande verdrag op die onderdelen waar het handelingsvermogen en de slagvaardigheid van de Unie in het geding zijn. Dan gaat het om de al genoemde kwesties van de omvang van de Commissie, de meerderheidsregels in de besluitvorming van de Raad en het wisselend voorzitterschap van de raadsvergaderingen, alsook de verkiezing van een semi-permanente president van de Europese Raad en de benoeming van een Europese minister van Buitenlandse Zaken. Door de verdragswijzigingen hiertoe te beperken en elke pretentie van nieuwe constitutionele vergezichten achterwege te laten, zou te verdedigen zijn dat wordt volstaan met een parlementaire goedkeuringsprocedure.

Prof.dr. A. van Staden is hoogleraar Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Leiden.