Ontwikkelingshulp gedijt bij globalisering

Alle feestidealisten en 'wereldlijders' ten spijt, is een nieuwe tendens veel relevanter. We lijken beland in de volgende globaliseringsronde. Die van morele globalisering, betoogt Ralf Bodelier.

Wanneer voor ons huis een kind met zijn fiets valt, zullen we het helpen om overeind te komen. Wanneer het kind gewond is, besparen we ons kosten noch moeite om het naar huis te brengen of 112 te bellen. Want medelijden, compassie met mensen die in de problemen zitten, is voor de meesten van ons vanzelfsprekend.

Geldt dit ook voor hulp aan de mensen in de Derde Wereld? Ogenschijnlijk niet. Want in hetzelfde tijdsbestek waarin we hier een kind naar het ziekenhuis brengen, sterven in Afrika tientallen kinderen. Kinderen die we met dezelfde kosten en moeite kunnen redden. De harde werkelijkheid is nog steeds die van H=E:A. 'Hulp is Ellende gedeeld door Afstand'. Niet minder relevant is het feit dat velen denken dat armoede in Afrika een complex probleem is dat al even complexe oplossingen vereist.

Precies met deze vooronderstelling breken de zogeheten 'feestidealisten'. Zij menen dat je met praktische hulp wel degelijk veel kunt doen. Ze stoten daarbij op de 'wereldlijders' die veel politieke en economische beren op de weg zien. Toch is er iets wat beide partijen met elkaar verbindt. Zowel de feestidealisten als de wereldlijders willen daadwerkelijk iets doen aan de hartverscheurende armoede in landen die vandaag per lijnvlucht zijn te bereiken. En daarin staan ze niet meer alleen.

Want in deze prille 21e eeuw is sprake van een tendens die zich buiten de publieke discussie afspeelt maar niet minder interessant is. Zij kwam aan licht tijdens de golf van liefdadigheid die na de tsunami van 26 december 2004 over de wereld spoelde. Althans over dat deel van de wereld dat economisch, technologisch en cultureel met elkaar is verweven: het geglobaliseerde deel van de wereld.

Maar liefst tien miljard dollar schonken de burgers van deze geglobaliseerde wereld aan de slachtoffers van de zeebeving. De gemiddelde Nederlander gaf 31 dollar aan acties, die door meer dan één miljoen landgenoten op touw werden gezet. Dat was minder dan de 66 dollar die de gemiddelde Australiër gaf, of de 57 dollar van de gemiddelde Noor. Maar het was veel meer dan mensen gaven in rijke landen die zich afsluiten voor de rest van de wereld. Zoals de Saoediërs die iets meer dan één dollar schonken. Of de burgers van het in zichzelf opgesloten Frankrijk, die gemiddeld 94 dollarcent gaven.

Sceptici wijzen erop dat de tsunamislachtoffers deze miljarden onder meer te danken hadden aan de roezige kerstsfeer en het feit dat velen de vakantieparadijzen van Thailand en Sri Lanka kennen. Toch wijst de goedgeefsheid op een breder verschijnsel, een fenomeen dat de Britse historicus Timothy Garton Ash 'morele globalisering' noemt. Hij constateerde na de inzamelingsacties dat 'burgers uit de rijke wereld zich in toenemende mate identificeren met mensen van ver weg, en menen dat ze tegenover hen een morele verantwoording hebben.' Zijn constatering lijkt terecht.

Wat deze morele globalisering aanjaagt, is het feit dat we steeds meer verre reizen maken. We stuiten op zieken, daklozen, bedelaars. Op mensen die ook gezond, gehuisvest en aan het werk hadden kunnen zijn. Mensen voor wie wij iets kunnen doen. En voor wie we in toenemende mate ook iets wíllen doen. Overigens ontkomen ook de thuisblijvers steeds minder aan de wereld. De media zorgen er voor dat we dag in dag uit het leed meemaken dat anderen treft.

Dat was dertig jaar geleden anders. KRO-journalist Aad van den Heuvel beschrijft in zijn recent verschenen journalistieke memoires, hoe het Chinese Tanshan in 1976 getroffen werd door een aardbeving die tussen de 225 en 650 duizend mensen het leven kostte. Uit het communistische China kwamen geen beelden van de ramp, de wereld hoorde er dus niets van en daarom was ook niemand betrokken.

Vergelijk dit met de aardbeving in Kashmir van afgelopen oktober. Enkele uren later had CNN al de eerste beelden. Eind november was bijna zes miljard dollar aan hulp toegezegd. En nu waren het geen vakantieparadijzen die tijdens ons kerstdiner werden getroffen, maar baardige, orthodoxe moslims in een ruig berglandschap waar toeristen zich amper vertonen.

Wanneer er inderdaad sprake is van een nieuwe, morele ronde in de globalisering, dan stemt dat optimistisch. Want door de toenemende welvaart in het geglobaliseerde deel, is de kloof met het achterblijvende deel alleen maar groter geworden. Daarom is niet minder, maar méér globalisering nodig. Niet minder, maar méér bemoeienis met de armen. En daaraan hangt een prijskaartje. Gelukkig blijken we bereid om die prijs te betalen. Zo geeft de Nederlandse overheid dit jaar bijna vier miljard euro aan ontwikkelingshulp. En hoewel bijna vier op de tien Nederlanders vindt dat veel van deze hulp slecht wordt besteed, meent ruim tachtig procent dat er niet op bezuinigd mag worden. Vond in 1990 nog twintig procent van alle Nederlanders dat de overheid méér moest uitgeven aan hulp, inmiddels is dat 34 procent.

Daarin staat Nederland niet alleen. Vrijwel alle landen in het geglobaliseerde deel van de wereld verhogen op dit moment hun ontwikkelingshulp. En dat doen ze fors. Dat blijkt uit nieuwe cijfers die de OECD, de club van de dertig rijkste landen, afgelopen maand presenteerde. In 2003 gaven we zeventig miljard dollar, in 2004 bijna 80 miljard, en dit jaar zal het richting 100 miljard gaan. De OECD verwacht dat in 2010 niet minder dan 130 miljard dollar wordt vrijgemaakt voor ontwikkelingshulp.

Met de acties die na de tsunami ondernomen werden, kwam bovendien iets aan de oppervlakte wat al langer sluimerde. Wij accepteren niet alleen dat een deel van ons nationaal budget opgaat aan ontwikkelingssamenwerking. We doen ook zélf graag aan ontwikkelingshulp. De Nederlandse minister van Ontwikkelingssamenwerking is weliswaar de belangrijkste geldschieter, de énige is ze allang niet meer. Ook lagere overheden, kerken en vakbewegingen hebben ontwikkelingshulp op de agenda gezet. Gemeenten knopen stedenbanden aan in Afrika, Azië of Latijns-Amerika. Vakbonden maken zich sterk voor betere arbeidsomstandigheden in ontwikkelingslanden. En het bedrijfsleven krijgt oog voor de Derde Wereld onder het motto van 'maatschappelijk verantwoord ondernemen'. Bovendien telt Nederland zo'n 350 formele particuliere ontwikkelingsorganisaties, waaronder de Leprastichting of het Rode Kruis.

Nederland telt naar schatting meer dan tienduizend clubjes die zich inspannen voor concrete projecten in het Zuiden. Daaronder Stichting Kinderhulp Burkina Faso, in het leven geroepen door Monique Wolters uit Roermond. En de stichting 'Nabuur' van de kunstenaar Siegfried Woldhek die Nederlandse dorpen via internet in contact brengt met dorpen in Equador, India of Kenia. En wat te denken van de jonge Nederlandse arts Nienke Sonneveld? Zij ontdekte in het Malawiaanse stadje Mangochi dat de zwaar ontstoken huid van albino's geneest met simpele zonnebrandcrème. Zij richtte de stichting 'Afrikaanse Albino's' op en stuurt nu vele honderden liters crème richting Malawi, Zambia, Mali en Senegal.

Het is de Hollandse variant van de morele globalisering: recht uit het hart, overwogen, goedkoop en uiterst effectief. Projecten als deze waren tot voor twintig, dertig jaar geleden maar amper uit te voeren. En hoewel H=E:A nog steeds geldt, neemt het belang van de factor Afstand snel af. En dat is winst voor de H van Hulp.

Ralf Bodelier is journalist en schrijver. Vorig jaar verscheen van hem 'Tegen de Angst. Optimisme als opdracht voor de 21e eeuw'. Hij werkt nu aan een boek over de toekomst van de ontwikkelingshulp.