Munich

Munich, de nieuwe film van Steven Spielberg, beviel me maar matig. Het is niet veel meer dan een groot opgezette knokfilm. De tragedie van de Olympische Spelen van 1972 is voor Spielberg een aanleiding geweest, geen doel. Niettemin was de film een probaat middel om mijn geheugen te activeren.

Ik was er destijds als verslaggever in München zelf bij, maar ik heb nooit meer veel aan die periode teruggedacht. Slechte herinneringen laten zich graag verdringen. 'München' was zelfs zo'n slechte herinnering geworden dat ik ook de latere Olympische Spelen nauwelijks meer bekeken heb. Het was voor mij een hypocriet sportfeest geworden, voor altijd besmet.

Op de tv zag ik naar aanleiding van Spielbergs film een discussie met de voormalige hockeyinternationals Paul Litjens en André Bolhuis. Litjens had destijds zijn ploeg vanwege de gijzeling verlaten, Bolhuis was gebleven. Het viel me op dat Bolhuis ook bijna 35 jaar later meer moeite had met het verdedigen van zijn beslissing dan Litjens. Het blijft ook bizar: doorsporten nadat elf van je collega's zijn afgeknald omdat een kaste van wereldvreemde sportbobo's, onder leiding van IOC-president Avery Brundage ('The Games must go on'), dat van je eist.

Maar had ik het er zelf zoveel beter vanaf gebracht? Ik was toch ook gebleven? En wat had ik daar destijds over gezegd? Ik wist het niet meer en nam een duik in de vergeelde knipsels.

Weer stond ik versteld van de onverschilligheid waarmee door sommige deelnemers en autoriteiten aanvankelijk op de gijzeling van de Israëlische ploeg was gereageerd. Ik was op een persconferentie geweest, waar de beroemde zwemmer Mark Spitz verveeld deed alsof er niets was gebeurd. Een Nederlandse hockeyer, we zullen zijn naam maar achterwege laten, zei: 'Het raakt mij niet.' Bram Leeuwenhoek, chef de mission van de Nederlandse ploeg, ging opgewekt naar het kanovaren.

Toen stuitte ik op het interessantste knipsel. Nico Scheepmaker, als columnist aan ons verslaggeversteam verbonden, had ons (en zichzelf) gevraagd: 'Hoe voelt een journalist in München zich nu?'

We, in totaal zes mensen, kwamen unaniem tot de conclusie dat de Spelen gestopt hadden moeten worden. Ik, opgewonden jong standje, vond als enige dat ook de journalisten zich hadden moeten terugtrekken. Daarover schreef Scheepmaker: 'Journalisten moeten zich nooit terugtrekken, tenzij zij in hun berichtgeving gehinderd worden: oorlogscorrespondenten zijn niet per definitie lieden die oorlog toejuichen, zij berichten erover.'

Groot gelijk natuurlijk, ik moet het achteraf deemoedig toegeven. Toch blijft er iets wringen als je de perscommentaren van toen leest. Veel hoofdredacties vonden dat de Spelen hooguit op versoberde wijze konden doorgaan. Sommige Nederlandse kranten probeerden het voorbeeld te geven door olympische vignetten-in-kleur nu in zwart-wit af te drukken. Nederland gidsland! Maar toen judoka Wim Ruska een week later goud won, werden de grootste kopletters uit de kast gehaald.

En van wie was het verslag? Van mij - niet bepaald de Litjens onder de verslaggevers. Ik had 'mijn ploeg' niet willen of durven verlaten. Geen wonder dat ik 'München' bijna was vergeten.