A. Pechtold: ons graag van dienst

Gekwetst waren de collega's over minister Alexander Pechtolds zoveelste verbale gallopade. Deze keer had hij de Haagse politiek 'veel vuiler en vunziger dan de mensen denken' genoemd. En voor wie het nog niet had begrepen, had hij daaraan, in het blad Opzij, toegevoegd dat de ministers en hun ambtenaren 'vreselijker zijn dan wie ook, achter elkaars rug om'. Nu, denk je dan, wat let de gewezen burgemeester van Wageningen om die Haagse poel van ellende dan ook maar zo snel mogelijk te verlaten? De voorzitter van de Tweede Kamer gaf de minister van D66 een ook in dat opzicht goed advies: Die man moet een enkele reis naar Wageningen nemen. Maar nee hoor, nadat de collega's in de ministerraad hem, blijkens mededelingen van vice-premier Zalm, vorige vrijdag in een 'ijzige' ministerraad met grote kracht de oren hadden gewassen, liet de jonge bewindsman voor Bestuurlijke Vernieuwing en de Antillen weten dat hij, na zijn eerste negen maanden in die Haagse poel, nu al weet dat hij daar veel langer wil blijven.

Ook de volgende parlementaire periode, die in 2007 begint, nog wel, zei hij. Daar mag D66 blij mee zijn. Bottoms up!, klinkt het in de herensociëteit. Hij zei wat hij vond, steeds tot onze dienst. Op kosten van de collega's en het politieke bedrijf en ongetwijfeld met de bedoeling zich bemind te maken bij de landgenoten die 'de politiek' altijd al een 'vies spelletje' vonden, een opvatting die sinds een paar jaar een prima conjunctuur heeft. In dat opzicht heeft de minister iets gedaan aan de veelbeklaagde afstand tussen de politiek en de burger. Maar eerst moet de minister, die kennelijk ook wel eens iets zegt wat hij in tweede instantie eigenlijk niet vindt, gaan investeren in de persoonlijke verhoudingen in het kabinet, zei Zalm. De rol van de eerste vice-premier, die premier Balkenende verving (ook Pechtolds partijgenoot Brinkhorst was vorige vrijdag buitenslands), was, zij het ongezocht, nauwelijks minder uniek dan die van Pechtold. Want zo'n verslag van een strafexcercitie tegen een minister in het wekelijkse kabinetsberaad, een orgaan dat de eenheid van regeringsbeleid moet koesteren en uitdragen, hoor je maar zelden. Meer nog, formeel ging de vice-premier met zijn verslag zelf ook over de schreef. Want het gaat ons - de buitenwacht - immers niets aan hoe vaak, waarover en waarom leden van het kabinet elkaar in hun al dan niet ijzige vergaderingen voor rotte vis uitmaken.

Anders gezegd: in feite had Zalm in het geval-Pechtold op vragen moeten zeggen: Er is over dat interview in Opzij gesproken maar daarover doe ik geen mededelingen. Maar ja, zeker in kwesties als deze kent Zalm het kabinet als een lekkend mandje, dus is het ook wel weer te begrijpen dat hij zelf verslag deed en geen weekeinde-lekkages wilde afwachten.

Wat een affaire overigens, die affaire-Pechtold. Je hoort en leest aanhoudend over een crisis in de democratie en over wat er alzo anders moet om de vicieuze cirkel van ontevreden kiezers en onzekere gekozenen te doorbreken. En dan is zo iemand minister van Bestuurlijke Vernieuwing, bijna als persoonlijke illustratie van een probleem. Ga er maar aan staan.

Dat de staf in het openbaar door een of meer ministers over een collega wordt gebroken is, hoe ongewoon ook, wel eerder vertoond. Premier Lubbers deed dat ten tijde van zijn tweede kabinet, een kleine twintig jaar geleden, toen zijn vice-premier De Korte in de fout was gegaan door openlijk te ageren tegen een voorgenomen staatsbezoek van de koningin aan Japan. Lubbers riep De Korte even openlijk tot de orde: 'Dat was een keer, maar nooit weer', zei hij. Van een iets andere orde, maar ook verkeerd, was het optreden van minister Irene Vorrink (Milieu) in het kabinet-Den Uyl (1973-1977), een kabinet waarvan de ministers trouwens soms 'vechtend over straat' gingen. Mevrouw Vorrink waarschuwde de Bloemenhove abortuskliniek destijds voor een geplande huiszoeking door de politie die de minister van Justitie, Van Agt, in het kabinet had aangekondigd. Eenheid van regeringsbeleid? Het kabinet-Den Uyl, regerend in tijden van stevige politieke polarisatie, was in zover ook bijzonder dat bij bijna alle 'zware kwesties' die het op zijn agenda nam of kreeg vroeg of laat steevast bekend raakte welke ministers en staatssecretarissen waarom tegenover elkaar stonden.

In die jaren viel er zelfs - in het heftige debat over een open dan wel gesloten Oosterscheldedam - een 'opstand der staatssecretarissen' te beleven, compleet. met alle namen en toenamen van de onderministers (die geen stemrecht hebben in de ministerraad). Heel bijzonder, en sinds 1917 niet meer vertoond, is een openlijke ruzie over het beleid van de regering tussen twee ministers in de Tweede Kamer zelf, ten tijde van het kabinet Cort van der Linden (1913-1918). Die ruzie (tijdens de Eerste Wereldoorlog) was te horen tijdens een interpellatie over de levering van een partij kaas uit het neutrale Nederland aan Duitsland, waar minister Posthumus (Landbouw) voor was en bleef en minister Treub (Financiën) tegen was en bleef. P.J. Oud schreef daarover geschokt in zijn Honderd Jaren. 'Een van de eerste beginselen van het constitutioneel recht, dat geschillen tussen ministers binnenskamers behoren te blijven, wordt hier met voeten getreden'. Dat zagen die twee ministers anders, zij bleven aan tot het einde van hun kabinet, Pechtold zou het, ware hij indertijd hun collega geweest, daarmee waarschijnlijk wel eens geweest zijn.