Volwassen kinderlijkheid in 'Het sluwe vosje'

In zijn eerste seizoen als chef-dirigent van de Nederlandse Opera, presenteert Ingo Metzmacher zich met nadruk in wijd uiteenlopend repertoire. Na Henze's The Bassarids leidt hij nu een nieuwe productie van Janáceks Het sluwe vosje. Later dit voorjaar volgen dan nog Elektra van Richard Strauss en Verdi's Simone Boccanegra.

Het sluwe vosje is na Jenufa, Katja Kabánova en De zaak Makropoulos de vierde productie in de Janácek-cyclus van de Nederlandse Opera. Regisseur Richard Jones en ontwerper Antony McDonald realiseerden eerder de rauwe, realistische aankleding van Janáceks ontregelend tragische opera Jenufa. Het sluwe vosje (1922-23) ontstond zo'n twintig jaar later dan Jenufa en serveert de levensweemoed ook op een totaal andere manier. Hier geen ongewenste baby die onder het ijs wordt geschoven, maar veel vrolijke dieren en de wereld als een ongecompliceerd speelbos. Althans, zo lijkt het - even.

Jones en McDonald hebben er alles aangedaan om van Het sluwe vosje een visueel feest te maken, een fantastisch levend dierenprentenboek voor volwassenen met een glanzende maan en fonkelende sterren boven een glooiend landschap van houten heuvelen. Al bij het opgaan van het doek ging er gisteravond bij de première een collectieve zucht van bewondering door het Muziektheater.

Nog exuberanter dan de decors zijn de letterlijk tientallen soorten dieren die ze bevolken; rock 'n' roll-kippen met gevederde petticoats, vliegen die met hun zwarte capejes en glinsterende vleugels doen denken aan de Walküren uit Wagners Der Ring des Nibelungen, disco-torren van toverachtige schoonheid en mieren die groepsgewijs heen en weer schrijden - hilarisch van levensechtheid. Zo is steeds aan alle bewegingsfinesses gedacht. Kippenpootjes scharrelen, zwijnen loungen, muggen wrijven zich vergenoegd in de pootjes.

Door zijn ogenschijnlijke lichtheid, alle dierenrollen en de korte duur (anderhalf uur zonder pauze) zou je bijna denken dat Het sluwe vosje een kinderopera is. Ten onrechte. De onschuld wordt hier niet bediend, maar belicht - dat maken de allerminst luchtige partituur en het libretto klinkklaar.

Janácek was gefascineerd door leven, dood en de verbintenis daartussen. Daarover gaat De zaak Makropoulos, daarover gaat ook het verhaal van het jonge vrouwtjesvosje dat door de boswachter wordt gevangen. Terwijl zij een mannetje vindt en lustig jongt, droomt de boswachter (samen met de schoolmeester, pastoor en de stroper) van een zigeunerin die in haarkleur en temperament aan het vosje doet denken. Als het vosje uiteindelijk toch door de stroper is doodgeschoten, danst haar dochtertje weer net zo dartel en sluw verder. Een einde vormt vaak ook een begin.

Maar zelfs de melancholie is hier onzwaar gepresenteerd. Waar het orkest in de diepgravende instrumentale tussenspelen zucht over de weemoedig stemmende schoonheid van de levenscyclus, danst een groepje libellen op het toneel als lichtvoetige symbooltjes van de vergankelijkheid.

De levenslust van de dieren wordt steeds afzet tegen de veel bezorgdere natuur van de mensen. De dorpsbewoners borrelen en mopperen in de herberg, terwijl de ongecompliceerde bronst van de dieren voortdurend vrolijk wordt uitvergroot. Het hoogtepunt is het 'trouwfeest' van Vosje en Vos Goudpels, waarin alle dieren elkaar blij bespringen. Alleen de bomen doen aan zelfbevlekking.

Dat klinkt flauw, maar daarvoor is deze productie te verzorgd, te sprankelend en vooral te mooi. Het sluwe vosje bezorgt de volwassen toeschouwer kinderlijke pret en de kinderlijke toeschouwer 'volwassen' lol; een klasje achtjarigen reageerde met tevreden pre-puberaal gegrinnik op de scène waarin de bronstige dalmatiër (een vrolijke rol van Monique Scholte) het vosje op zijn hondjes van haar onschuld tracht te beroven.

Door de niet alleen letterlijk wellustige rijkdom aan details, kleuren en campy visuele grapjes in het uitspelen van de verschillen en parallellen tussen de mensen- en de dierenwereld, vergeet je soms bijna op de muziek en de zang te letten. Dat verdient Janácek niet, en evenmin het Radio Filharmonisch Orkest, dat onder Metzmachers zeer precieze leiding geconcentreerd speelt en alle recht doet aan de psychologische diepgang van Janáceks partituur.

Het sluwe vosje telt achttien, zonder uitzondering goed bezette solistische rollen en biedt daarnaast nog koorscènes, met de ketsende dubbelkorigheid in de bruiloftsorgie der dieren en het onovertroffen schattige kindervosjeskoor als hoogtepunten.

Maar hoe charismatisch ook de Vos Goudpels (Natasja Petrinsky) en hoe aardig ook de das, de hen, de uil, de mug en de dorpslui, in wezen zijn er maar twee echt dragende rollen. Bariton Dale Duesing is als de boswachter een vocaal riante keuze. Met zijn terughoudend maar verzorgde acteren maakt hij zijn grijzige personage sympathiek alledaags. Je vergeeft de productie door Duesing zelfs het dramaturgisch moeizame slot, waarin de boswachter zich insmeert met het slijk der aarde en één wordt met de natuur.

De theatrale lichtheid en muzikale diepgang van de voorstelling wordt gedragen door sopraan Rosemary Joshua, die als het sluwe vosje lenig ronddartelt en ronddraaft, en tussen het paren, moederen, jagen en sterven door er ook nog in slaagt Janáceks melodieën moeiteloos, helder en vitaal te zingen - met precies het beoogde muzikale en theatrale naturel.

Voorstelling: Het sluwe vosje van L. Janácek door de Nederlandse Opera/Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Ingo Metzmacher m.m.v. Dale Duesing, Rosemary Joshua e.a. Regie: Richard Jones. Decor/kostuums: Antony McDonald. Gezien: 29/1 Muziektheater, Amsterdam. Herh.: t/m 19/2, aldaar. Inl. www.dno.nl; (020) 6255455.

    • Mischa Spel