Meisje Vos

Een man in een windjack trok aan het gevlochten touw de vlag omhoog. Handmatig de nationale driekleur hijsen, dat zie je niet veel meer in de sport. Dan moet je toch echt bij het volkse veldrijden zijn, bij de wielerwedstrijd 'op een veldje van stront'.

Het Wilhelmus klonk. Het publiek was stil rond het parcours van Zeddam, waar het wereldkampioenschap veldrijden werd verreden. Marianne Vos stond met een gouden medaille om haar hals op het podium. Het dunne mondje in het schrale gezicht ging open. Ze zong de eerste strofe van het volkslied mee.

Een kwartiertje eerder koos ze het achterwiel van haar rivale Hanke Kupfernagel, die van het veldrijden haar beroep heeft gemaakt. De Duitse is prof, Marianne Vos is pas achttien jaar en hoopt in mei haar vwo-diploma te halen. Maar deze zondag waren de erfelijkheidsleer, Franse vervoegingen en boekenlijsten even uit haar hoofd verdwenen. Tijdens de wedstrijd waren haar gedachten alleen nog maar bij trappen en sturen op een bevroren parcours.

Op het laatste stukje asfalt kwam ze achter de rug van Kupfernagel vandaan, Vos won de sprint. Een middelbare scholier troefde een Duitse oerprof af.

Na de finish viel Vos schreeuwend in de armen van haar verzorger. Eenmaal van de fiets liep ze dodelijk vermoeid met kromme rug en stramme benen weg.

Voor de gefinishte vrouwen stond even verderop een plastic partytent klaar die we, sinds de moord op Van Gogh, herkennen als artificiële scheidswand tussen leven en dood. In het hoekje stond Kupfernagel moederziel alleen in de hoek te simpen. Even verderop zat Vos op een klapstoeltje te wachten op de huldiging.

De tv-camera vond de ouders van Marianne. Ze stonden al klaar achter het hek bij het podium. Moeder Vos, een gewone Brabantse met twee voeten op de bevroren klei, verborg haar ogen als een Italiaanse mama achter een zonnebril. Vader Vos prutste onhandig aan een digitaal fototoestelletje.

Marianne Vos ging op de hoogste trede staan. Daar kwam het Wilhelmus. Een hummeltje liet zich meenemen door de nationale hymne. Geen vrouw, nee, een meisje nog. Meisje Vos.

Ik zie Marianne voor me, in haar eigen kamer tussen opengeslagen schoolboeken, posters van Robbie Williams aan de muur. In de hoek een toilettafel vol met smeerseltjes om de onrustige huid te behandelen. Marianne zit op haar bed, de dopjes van de iPod in haar oren. Meisje Vos neuriet mee met Tripping van hete Robbie. 'First they ignore you, then laugh at you and hate you, then they fight you, then you win.'

Op het podium in Zeddam zong ze weer mee, nu met het Wilhelmus. Wezenloze woorden als 'getrouwe' en 'onverveerd' ontsnappen uit haar mond. Ongelofelijk, wat de muffe zinnen uit het volkslied bij haar losmaakten. Meisje Vos zong zichzelf de tranen uit haar ooghoeken. De zoute druppels gleden over de rode huidwondjes in haar gezicht.

Vaders lip trilde als een espenblad, moeder hield zich stoer, achter haar zonnebril. In het tijdsbestek van één Wilhelmus leerde ik de Vosjes kennen via een intiem familieportret. Het was vroeg in de zondagmiddag, ach, ik jankte lekker mee. Heerlijk. Winters zonnetje, gouden plak, huilend meisje. Dan hou je het niet droog.

'Heb ik altijd geëerd!'

Het volkslied stierf weg in de kou van Zeddam. Meisje Vos gooide haar armen in de lucht, alsof ze met het volkslied in de finale stond van Idols. Applaus voor een regenboogtrui. Van mij mag meisje Vos een dagje spijbelen. In haar eigen kamer hangen. Regenboogtrui aan, Robbie over de oordopjes en zingen, zingen, zingen.

    • Wilfried de Jong