Japanse minister Aso tart de buren

Volgens de Japanse minister van Buitenlandse Zaken, Taro Aso, zou keizer Akihito de traditie in ere moeten herstellen om jaarlijks de omstreden Yasukuni Tempel in Tokio te bezoeken. Daar herdenkt Japan zijn twee miljoen oorlogsdoden, inclusief een aantal oorlogsmisdadigers. De gevallenen, voor wier eeuwige zielenrust in de tempel wordt gebeden, 'riepen 'banzai' (lang zal hij leven) voor de keizer. Niemand van hen zei ooit: 'Lang leve de premier', aldus minister Aso afgelopen zaterdag in Nagoya.

De 65-jarige Aso is kleinzoon van de eerste Japanse minister-president na de Tweede Wereldoorlog en zelfbenoemd kandidaat voor de opvolging van huidig premier Junichiro Koizumi. Sinds de laatste kabinetsherschikking in oktober zit hij op 'Buitenlandse Zaken'. Sindsdien heeft hij zijn best gedaan zijn reputatie als ultraconservatief nog wat extra glans te geven.

De Japanse keizer Hirohito, vader van de huidige keizer, bezocht de Yasukuni Tempel voor het laatst in 1975. Dat was drie jaar voordat daar ook de namen van veertien ter dood veroordeelde oorlogsmisdadigers werden bijgeschreven. Vooral China en Zuid-Korea, die het meest hebben geleden onder het Japanse kolonialisme en de oorlogsagressie, winden zich enorm op over de bezoeken die premier Koizumi elk jaar weer brengt aan de Yasukuni Tempel.

Minister Aso voorziet dat zijn oproep ook nu weer felle reacties zal oproepen, maar daar heeft hij geen boodschap aan.'Hoe meer China zich beklaagt, des te meer zin krijg je om daar (naar de tempel) heen te gaan. Het is net zoals met waarschuwingen tegen roken. Daardoor krijg je ook alleen maar meer trek om te roken. Het is het beste (voor China) om er over te zwijgen', zei Aso.