De mens als bouwwerk

Vorige week haalde Albert Verlinde in RTL Boulevard een gepensioneerde toneelspeler aan, die over zichzelf had gezegd: de zolder is nog goed, maar in de kelder lekt het. Daarmee gaf die acteur te kennen dat zijn hersens nog uitstekend werkten, maar zijn urinewegen niet meer.

De mens wordt in deze prachtige uitdrukking, die ik nooit eerder had gehoord, vergeleken met een gebouw. Die vergelijking ligt nogal voor de hand, maar toch wilden soortgelijke uitdrukkingen mij niet meteen te binnen schieten.

Ja, bovenkamer voor 'hoofd' of 'hersens', onder meer in de zegswijze het scheelt of mankeert hem in zijn bovenkamer voor 'hij is niet goed bij zijn verstand'. En bovenverdieping in het scheelt hem in zijn bovenverdieping, met dezelfde betekenis. Maar daar bleef het even bij.

Een oproep in een discussiegroep op internet leverde twee fraaie aanvullingen op - die mij trouwens ook niet bekend waren. Zo schreef iemand: 'Ik ken van mijn moeder de uitspraak: van die hoge huizen zijn de bovenkamers vaak slecht gemeubileerd. Dat kon gezegd worden als iemand zich erop liet voorstaan langer te zijn dan een ander.'

En iemand anders meldde: 'Soms loop je achter een vrouw waarvan je denkt dat ze jong en prachtig is. Maar als je haar eenmaal hebt ingehaald, blijkt het een vrouw op leeftijd te zijn. Of in ieder geval: niet zo mooi als de achterkant beloofde. Daarvoor ken ik de uitdrukking van achteren een lyceum, van voren een museum.'

In de Grote Van Dale vond ik vervolgens nog het haar op zolder dragen voor 'van achteren opgestoken haar', in zijn binnenkamer voor 'daar waar men voor zichzelf alleen is' (een nogal moeizame definitie), en hij heeft nog een achterdeurtje voor 'hij heeft nog wat spaarcenten, een appeltje voor de dorst'.

Achterdeur wordt natuurlijk ook gebruikt voor 'achterste', bijvoorbeeld in de zegswijze zijn achterdeur openzetten voor 'een wind laten'. Voor iemand die op de wc veel kabaal maakt, kennen we dooddoeners als onrust in de bonenkelder en Mozes in de rapenkelder. Tot slot vond ik nog achterkasteel voor 'achterste', vuurtoren voor 'iemand met rood haar', plus tempel en het ouderwetse onze vleselijke woning voor 'lichaam'.

Is dat alles? Hebben duizenden jaren bouwkunst, van de hunebedden tot de Belle van Zuylentoren, niet veel meer vergelijkingen opgeleverd tussen bouwwerken en de tempel die ieder van ons bewoont? Ik neem aan van wel, maar ik kon ze zo een-twee-drie niet vinden of bedenken. Aanvullingen zijn daarom van harte welkom, maar ik stel voor om erotische metaforen buiten beschouwing te laten, tenzij ze volledig zijn ingeburgerd.

Het nadeel van erotische taal is immers dat de juiste belichting ieder woord een erotische lading kan geven. 'Ik betrad haar warme woning met een zucht' kan, bij kaarslicht, iets héél anders betekenen. Zo kun je talloze zinnen bedenken met dampige kelders, voorportalen, naaikamertjes, flinke koepels, zwiepende torens en trillende heipalen, maar dergelijke vergelijkingen doen alleen mee als ze wijdverbreid zijn. Een acceptabel voorbeeld in deze categorie, dat zelfs de Grote Van Dale heeft gehaald, is (iemand) uitwonen voor 'neuken'.

Een fraaie, tot slot, die eigenlijk niet helemaal aan de criteria voldoet: een hoop licht aan, niemand thuis. Dit kun je zeggen van een vrouw die flink is opgemaakt, maar die niet erg slim is.

Reacties naar sanders@nrc.nl.