Ambassadeur

Het komt misschien door mijn koloniale afkomst, maar het moment waarop een hoogstaand persoon mij aanspreekt begin ik te buigen. Niet helemaal letterlijk, maar iets in mijn geest wordt onwillekeurig buigzaam. Mensen van koninklijken bloede, bewindslieden - ik heb in mijn leven zo nu en dan de kans gehad hun een hand te mogen geven of in hun nabijheid te verkeren. Met kinderlijke trots vertelde ik het aan vrienden en familieleden, tot vervelens toe heb ik hun verteld dat ik een keer een lift naar het station kreeg van wijlen prins Claus himself.

Het was na een vergadering op paleis Noordeinde, in de kelder helaas, wat niet wegneemt dat die werd bijgewoond door de prins en dat om vijf uur de koningin binnenwandelde, haar man een kusje op het voorhoofd gaf en met ons diepgaand het nieuwe ontwerp van de C op het briefpapier van haar zoon Constantijn besprak.

Na afloop van de vergadering wandelden we het paleis uit en vroeg de prins ineens: 'als u naar het station moet wil ik u er wel naar toe rijden.' Of ik naar het station moest! Ik zag me al zitten in een van die prachtig glimmende limo's die voor het paleis stonden, het is toch wat, een rit in een limo terwijl je nog niet eens dood bent, dit zou menig feestelijk gezelschap te horen krijgen.

Buigzaam, zeer buigzaam zei ik dat ik inderdaad naar het station moest (mijn eigen Suzuki Alto die ik om de hoek had geparkeerd kon ik de volgende dag wel ophalen), maar tot mijn verbazing zou het niet de limo worden waar een nette chauffeur al klaar stond. 'Komt u mee, komt u mee', zei de prins, en we liepen als twee stoute jongens naar een lullige blauwe vw-polo die de prins van plan was zelf te besturen.

Daar gingen we in die blauwe vw-polo, gevolgd door de limo met zijn lijfwachten, en reden we bijna het centraal station voorbij, waar ik een opmerking over maakte, waarop de prins het stuur een flinke ruk gaf, en de blauwe vw-polo over de middenberm schoot en bijna het hek van het station raakte en de prins, sympathiek als altijd, vroeg: 'was u bang?' 'Nou, nee', zei ik buigzaam, waarop de prins zei: 'nou, ik anders wel hoor.'

Kijk, hij was niet buigzaam, maar hij was wel prins, wie was ik? Iemand die de volgende dag terug zou komen voor zijn Suzuki Alto.

Ik heb ook een keer een minister ontmoet, ja, ik ben zeer hoog gekomen in het bestel, het was minister Jan Pronk van Ontwikkelingssamenwerking, mijn favoriete minister. Al was hij geen minister, ik zou voor hem buigen, niet letterlijk natuurlijk, want hij is het soort man dat zulke koloniale houdingen niet erg op prijs stelt.

Wat me opviel aan Jan Pronk was dat hij zo ontzettend neurotisch was. We hadden een tamelijk eenvoudig gesprek, niet langer dan een minuut of veertig, maar hij bleef tijdens die veertig minuten de veters van zijn schoenen losknopen en vastknopen. Los, vast, los, vast, ik werd er helemaal gek van en als ik niet zo'n koloniaal was geweest had ik geroepen: 'Jan, hou daarmee op.'

Eerlijk gezegd hebben we het hoogste hiermee wel gehad. O ja, een keer belde Rick van der Ploeg mij op, op zondagochtend, maar hij was maar staatssecretaris, dat telt niet echt.

Nu u mijn koloniale geest een beetje kunt doorzien zult u begrijpen waarom ik meteen 'ja' zei toen ik een briefje kreeg van hare excellentie Rita Verdonk van Vreemdelingenzaken en Integratie, waarin ze mij vroeg of ik wilde deelnemen aan haar campagne om de integratie te bevorderen.

Het was een echte brief, met een handtekening met een ballpoint, door vluchtelingen een zeer begeerde handtekening denk ik. En ik zou ambassadeur zijn van de campagne, samen met honderden anderen weliswaar, maar voor een oude koloniaal als ik die door hare excellentie Rita Verdonk persoonlijk wordt gevraagd om aan een reclamecampagne mee te doen is dat heel wat.

Bovendien had ik voor mezelf het theorietje bedacht dat Rita Verdonk misschien niet de kwaadste zou blijken te zijn. In de eerste helft van haar ministerschap heeft ze alle vluchtelingen eruit gedonderd, maar nu ze daar klaar mee was zou ze met evenveel verve de integratie aanpakken en alle allochtonen omhoogstuwen, waardoor wij straks allemaal in een blauwe vw-polo rijden, al dan niet achtervolgd door een limo. Over vluchtelingen zou Verdonk nu ophouden en ze zou het leven van racisten zuur maken. Ik vond dat een heel aannemelijke theorie.

Maar wat doet ze? Nu de vluchtelingen niet meer hier durven te komen, gaat Rita Verdonk naar de vluchtelingen toe! Haar vervolgingswaanzin kent geen grenzen, ze gaat, zo worden we geïnformeerd door onze correspondenten, tot in hartje Afrika de vluchtelingen waarschuwen er niet aan te denken ons ergens mee lastig te vallen.

Weet u wat nu mijn probleem is? Niet vrijheid, gelijkheid en broederschap, niet de belachelijkheid van Nederlandse ministers die aan arme Afrikanen vertellen dat ze in hun land veel fijner kunnen creperen dan in Nederland. Wat mij met mijn koloniale instelling bezighoudt is wat ik nu aan moet met het ambassadeurschap. Morgen is het feest voor al die honderden ambassadeurs die misschien hare excellentie Rita Verdonk zelf een hand mogen geven. Ik zal haar ook een hand moeten geven, ik weet wat er gebeurt als je deze minister geen hand geeft. Wat te doen?

ramdas@nrc.nl