Werk is typisch Amerikaans, de uitkering typisch Nederlands

Scholieren zoeken lang naar de weinig wervende identiteit van immigratieland Nederland, ontdekt Maarten Huygen.

Wat de Amerikaanse identiteit betekent, is gauw gezegd. De Amerikaanse Fulbright scholar, Todd Richardson, twijfelt geen moment als hij voor een groep vijfdeklassers van het Amersfoortse VWO 't Atrium begint over vrijheid: 'De fundamentele vrijheden zijn deel van de Amerikaanse geschiedenis'. En dan het tweede kenmerk: werk en economische kansen. 'Als je hard werkt en eerlijk bent, kun je het maken, wie je ook bent', zegt Richardson. Vrijheid, werk en gelijke kansen voor iedereen, weidser kan het perspectief van een immigratieland niet zijn, of de idealen nu worden gerealiseerd of niet. Werk en competitie brengen immigranten in het gareel.

Het wordt moeilijker als de leerlingen moeten opsommen wat zij kenmerkend vinden voor de Nederlandse identiteit. 'Het paspoort', roept er één.

Het tweede antwoord is raker: 'Sociale zekerheid'. Een verlokkend ideaal is sociale zekerheid beslist, maar het wordt dubieus als die in een immigratieland hoger staat aangeschreven dan werk. De voorzieningen moeten ergens van worden betaald en met werk kunnen de immigranten meteen bijdragen tot dankbaarheid van gans het volk. Maar geen enkele leerling noemde 'werk' en 'kansen' als typisch Nederlands, ook niet die ochtend voor de havo-klassen van het orthodox christelijke Van Lodensteincollege.

En inderdaad, gedurende tientallen jaren hebben weinigen zich bekommerd om de hoge werkloosheid onder immigranten. Er waren toch uitkeringen?

De spiegeling van Nederland aan immigratieland Amerika brengt vruchtbare inzichten, zeker nu vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen veel codes en regels voor allochtonen worden gesuggereerd. Frans Verhagen, getrouwd met een Amerikaanse en oprichter van de site Amerika.nl, trekt deze maanden langs Nederlandse middelbare scholen om twee eeuwen Amerikaans immigratieverleden met lichtbeelden vol cartoons en cijfers uit te leggen. De rondreis wordt betaald door het John Adams Instituut, een particuliere stichting voor culturele uitwisseling tussen Nederland en Amerika. Uit de ochtend- en de middaglezing blijkt al gauw dat Nederland nu weinig lijkt op de Verenigde Staten. Geen wonder dat de landverhuizer die het voor het kiezen heeft, liever naar het ruime Amerika reist dan naar het krapbemeten Nederland.

Het begint al met de Amerikaanse landstaal, het Engels, dat iedereen ter wereld al spreekt of wil spreken. Op 't Atrium moet Verhagen zijn les in het Engels houden, want het is een half Engelstalige opleiding. Daar zijn er inmiddels tachtig van in Nederland. Ouders vinden dat hun kinderen met een Engelse school meer kans maken in de wereld. In Amerika zelf worden allerlei talen op straat gesproken en Amerikanen maken zich zorgen over het vele Spaans. Maar het Engels blijft aan top en wint ook terrein in Europa. Dat maakt de Nederlandse taal minder aantrekkelijk.

Het lukt Richardson niet om Nederlands te praten. Als hij in een restaurant uitlegt dat hij in het Nederlands wil bestellen om het te leren, krijgt hij het gretige antwoord: 'I understand. How may I help you?' Ook wel charmant, vind ik. Maar je blijft als nieuwkomer in het hokje allochtoon hangen tot in de tweede generatie toe. Wie het Amerikaanse paspoort bezit, is direct Amerikaan zoals alle autochtonen. Nederlandse allochtonen waren vroeger zielige mensen die niets fout konden doen, nu zijn ze verdacht. Richardson vindt dat Nederlanders nu op de zelfde manier spreken over allochtonen als Amerikanen over homoseksuelen. En dat betekent weinig goeds.

Ook Amerika is niets menselijks en racistisch vreemd geweest. Op immigratiegolven volgden protesten en maatregelen. Eén historische les uit Amerika bleef hangen: na beperking van de immigratie ging de integratie een stuk sneller. Verhagen vergeleek de protestantse afschuw van de straatarme Ierse katholieke immigranten in het 19eeuwse Amerika met de huidige vrees voor moslims in Europa. Hij liet een foto zien van de uit Polen afkomstige anarchist Leon C., moordenaar van president McKinley. Op die gebeurtenis volgden haatcampagnes tegen vreemdelingen die in cartoons als wandelende bommen werden afgebeeld. Deed dat niet denken aan de ophef over Mohammed B. vroeg Verhagen. Ja, maar met dit verschil dat in de negentiende en twintigste eeuw nooit een gebouw of trein namens de paus is opgeblazen, terwijl de huidige generatie terroristen zich beroept op de islam, het geloof van de meeste immigranten in Europa.

Amerika en Nederland kunnen tegelijk wel en niet worden vergeleken. Nederland kan meer halen uit de immigranten door hen aan te sporen in plaats van hen tot in de tweede generatie af te katten. 'Formuleer het eens positief', zegt Verhagen. Veel immigranten bloeien wel op. Dat kan ook hier. Fysiek is er weinig plek maar in het verleden was er geestelijk meer ruimte. Als vierde typisch Nederlands kenmerk na de spreekwoordelijke zuinigheid werd door de Atrium-leerlingen nog genoemd de tolerantie. Geduld, gedogen. Is dat fossiel geworden?

Vooral leerlingen van 't Atrium die in het buitenland waren geboren, discussieerden. Als verse nieuwkomers kunnen ze de Nederlandse mentaliteit goed beoordelen. Een Afghaanse jongen vond dat je geaccepteerd moet zijn om te kunnen accepteren, een Iraanse prees de Hollandse nuchterheid, down to earth in het Engels. Maar competitie? Richardson vertelde me over een Nederlandse essaywedstrijd, waarbij de jury alle essays zo goed vond dat de hoofdprijs werd verloot. Amerikaanse deelnemers waren woedend. Alle werk was voor niets geweest.

Niet iedereen kan tegelijk winnaar zijn. Competitie, geen kongsies.

    • Maarten Huygen