Vetverbranding bij winterslaap bruikbaar tegen vetzucht

Een onderzoek naar de fysiologische veranderingen die bij de winterslaap optreden biedt mogelijk aanknopingspunten voor de behandeling van overgewicht en diabetes type 2 (ouderdomsdiabetes). Dieren die in winterslaap gaan schakelen over op een andere energiebron. Verbranden ze eerst hoofdzakelijk glucose, in de winterslaap wordt dat vet. Deze omschakeling vindt plaats als het dier enige tijd geen daglicht heeft gezien. Een onderzoeksteam van de University of Texas Medical School in Houston heeft ontdekt dat de stof 5'-adenosine monofosfaat (5'-AMP) de moleculaire schakelaar is die deze omslag tot stand brengt. De verhoogde vetafbraak en de verminderde afhankelijkheid van glucose - en dus van insuline - suggereren een mogelijke rol van (analogen van) 5'-AMP bij de behandeling van vetzucht en/of ouderdomsdiabetes. Maar dan moeten mensen wel net zo op deze stof reageren als muizen (Nature, 19 jan.).

Dieren die in winterslaap gaan, slaan in zomer en najaar grote voorraden vet op. Bij het invallen van de winter zoeken zij een donker hol op. Na enige tijd ontstaan zowel de omschakeling van glucose- op vetverbranding, als een staat van lethargie in die torpor heet. De stofwisseling gaat daarbij op een laag pitje, wat onder andere blijkt uit een forse verlaging van de lichaamstemperatuur. De Texaanse onderzoekers wilden meer over deze veranderingen te weten komen, met name over de invloed van langdurige duisternis. Dat onderzochten zij bij muizen. Hoewel muizen niet aan winterslaap doen, zijn ze toch bruikbaar omdat ze in torpor raken als ze 48 uur in het donker worden gehouden. De onderzoekers bestudeerden de expressie van genen in muizen die óf 48 uur in het donker waren gehouden, óf in een normaal dag-nachtritme. Het meest in het oog sprong de activiteit van het gen Clps in de lever. Dit gen codeert voor een enzym (procolipase) dat nodig is bij de vetafbraak. Bij een normaal dag-nachtritme is dit gen alleen actief in de alvleesklier en het maagdarmstelsel, maar na een paar dagen in de duisternis wordt het ook zeer actief in de lever. Blijkbaar wordt de capaciteit om vetten te verbranden dan fors opgevoerd.

De activiteit van Clps in de lever nam pas af als de dieren weer een uur of zes aan daglicht waren blootgesteld. Deze trage reactie wees erop dat de activiteit van het gen verandert onder invloed van een stof die aan het bloed wordt afgegeven en zo in de lever komt. Bloedonderzoek wees uit dat de enige stof waarvan het gehalte bij duisternis dramatisch toenam 5'-AMP was. Daarop injecteerden de onderzoekers deze stof in muizen met een normaal dag-nachtritme. Drie tot vier uur later kwam dan de expressie van Clps in de lever op gang. Tegelijkertijd zakte de lichaamstemperatuur en werd meer vet verbrand, een teken dat de torpor was begonnen.

Huup Dassen

    • Huup Dassen