Soms is kaas gewoon kaas

Welke boeken zijn aanraders voor beginnende en geoefende lezers?

Een tweewekelijks rondje langs de eeuwige jachtvelden van de wereldfictie brengt Pieter Steinz bij Kaas van Willem Elsschot.

Willem Elsschot FOTO: J. van Rhijn Rhijn, J. van

Het verhaal van Willem Elsschots Kaas (1933) is bedrieglijk simpel. De Antwerpse klerk Frans Laarmans laat zich overhalen om Belgisch wederverkoper voor een Hollandse kaasfirma te worden ('dat marcheert altijd, want eten moeten de mensen toch'). Hij meldt zich ziek op zijn werk, zet een kantoor op, werft agenten, laat tienduizend volvette Edammers in een pakhuis opslaan, en slaagt er maar niet in om meer te verkopen dan elf-en-een-halve bol. Ontgoocheld, en achtervolgd door de gedachte aan al die onverkochte kazen ('ze zijn losgebroken [] drukken op mijn ziel en stinken') geeft hij zijn opdracht terug en herneemt hij met een zekere tevredenheid zijn klerkenbestaan.

Toen Kaas vier jaar geleden in het Engels werd vertaald, kreeg het laaiend enthousiaste recensies. De roman over een kleine burgerman die in zaken gaat en zijn grootse plannen ziet mislukken, werd ingehaald als een allegorie op de internethype. 'Griezelig goed getimed', oordeelde The New York Review of Books, en The New York Times schreef: 'Laarmans had net zo goed leiding kunnen geven aan een verdoemd internetbedrijfje, of belegger kunnen zijn die al zijn geld is kwijtraakt doordat het bedrijf heeft gelogen over de winstcijfers'. Geen wonder dat de Engelse Times voorstelde om een aantal exemplaren van Cheese naar het door malversaties gefailleerde Amerikaanse bedrijf Enron te laten sturen.

Een profetische kijk op de dotcomcrisis. Het was niet de eerste vérgaande interpretatie van deze jaren-dertigroman. En zoals dat met meesterwerken uit de wereldliteratuur gaat: het zal ook niet de laatste zijn. Een andere gewaagde visie op Kaas kwam van Elsschots dochter Ida. Zij stelde dat haar vader (echte naam: Alfons de Ridder) met de stapels onverkochte kaas van zijn alter ego Frans Laarmans zijn literaire productie symboliseerde; want de oude Fons (1882-1960) was teleurgesteld in het uitblijvende succes van zijn eerdere romans. Sinds 1924 had hij zich volledig op zijn carrière als reclameman gestort, omdat zijn schrijverschap niet marcheerde; Kaas, dat werd geschreven op aandringen van de Nederlandse criticus Jan Greshoff, was zijn come-backroman. Maar het echte succes van Elsschot kwam eigenlijk pas na de Tweede Wereldoorlog, toen hij door een nieuwe generatie Nederlandse schrijvers werd herontdekt als een humanist-humorist met een superieur eenvoudige stijl.

Er zijn critici die in de hoofdpersoon van Kaas een afspiegeling zien van de schrijver. Zoals Laarmans een buitenstaander is in de zakenwereld, zo was Elsschot dat in de literatuur. Zelf zag De Ridder de kaas uit zijn vijfde roman als een symbool voor zijn eigen handelswaar: reclame. In een opstel over zijn eigen werk, dat hij schreef toen zijn kleinzoon een schoolopdracht moest maken, noteerde hij: 'Om zijn wrok, zijn bittere haat tegenover die publiciteit uit te drukken heeft hij kaas genomen'. Jaren later kwam hij daar op terug en schreef hij: 'Ik had evengoed vis kunnen nemen'. Ach ja, zoals de oude Freud al zei: 'Sometimes a cigar is just a cigar' - en soms is een kaas gewoon een kaas.

In het voorwoord van Kaas schreef Elsschot dat het tragische een kwestie is 'van maat en harmonie [] van eenvoud en oprechtheid met sardonisch grijnzen'. In dit licht mag je al zijn romans - van het subtiele melodrama Villa des roses tot zijn zwanenzang als schrijver, Het dwaallicht - tragisch noemen, zolang je er maar bij zegt dat ze vóór alles heel komisch zijn. Reacties: steinz@nrc.nl

    • Pieter Steinz