Nieuwjaarsster Sothis 2

H. W. Visser meent dat het niet juist is dat Sirius op 19 juli vlak voor zonsopkomst boven de horizon verschijnt en dan, voor het eerst na ± 70 dagen, nog even zichtbaar is (W&O, 21 jan). Volgens hem was dat in 2005 op 24 juli het geval en in 2550 v. Chr. rond 5 juli. Zijn conclusie is dat de egyptoloog Pragt dus niet erg op de hoogte is van de astronomie. Dat staat nog te bezien.

Visser heeft gelijk met die data, maar het gaat hier uiteraard om de zichtbaarheid van Sirius: op genoemde data zijn de zon en Sirius in hoogte slechts enkele boogminuten van elkaar verwijderd en dan is er van Sirius gegarandeerd niets te zien. Wanneer is er wel iets van te zien? Daarvoor golden in Egypte bepaalde normen, en voor een heldere ster als Sirius, zich bevindend in dezelfde blikrichting als de zon, was dat 10-11 graden: zo ver moesten ze in hoogte van elkaar af staan, wilde er van een zgn. heliakische opkomst sprake kunnen zijn. Ik ontleen dat aan Norman Lockyer, destijds (±1890) één van de egyptologen die tevens een bekend astronoom was ('The Dawn of Astronomy', repr. herdruk, p. 121).

Ik heb e. e. a. nagerekend met mijn planetariumprogramma Voyager III en concludeer dat in 2550 v. Chr. juist op 18 à 19 juli deze situatie zich voordeed, en ook dat iets dergelijks, maar dan 'omgekeerd', bij zonsondergang, het geval was rond 6 mei. In de periode daartussen was Sirius dus niet zichtbaar, en als ik ga tellen, kom ik heel aardig bij de in Egypte gehanteerde periode van 70 dagen. In 1500 v. Chr. doet zich hetzelfde voor, alleen schuift het dan 1 à 2 dagen op. Vissers mededeling dat Sirius ter hoogte van Caïro nooit onder de horizon duikt, en dus nooit gedurende 70 dagen weg is van de hemel, kan alleen maar worden begrepen als men de zichtbaarheid volledig negeert: zelfs een ster als Sirius kun je overdag niet zien, en iedere egyptoloog weet dat het de priesters juist om die zichtbaarheid was begonnen.

Ik denk dat het met de door Visser gewraakte mistigheid van Pragt dus nog wel meevalt. Het valt zeer te waarderen dat er eindelijk eens een egyptoloog is die zich voor de astronomie interesseert. Een eeuw geleden was dat veel gewoner, al was het maar omdat destijds een basale natuurwetenschappelijke (en dan vooral ook astronomische) kennis als vanzelfsprekend behoorde tot het kennispakket van elk ontwikkeld mens. Momenteel weten egyptologen nauwelijks meer iets van de (egyptische) astronomie en daardoor blijft er een groot en uitermate interessant gebied braak liggen.