In de kunst is het aanbod de vraag

Pim van Klink. Kunsteconomie in nieuw perspectief. Rijkskunstbeleid beoordeeld. Groningen. K's concern, 295 blz. Rijksuniversiteit Groningen, 21 november 2005. Promotor: Prof.dr. A. van Witteloostuijn

Het gebeurt al niet zo vaak dat een promovendus je zijn proefschrift toestuurt met de dringende aanbeveling het te bespreken, maar nog niet eerder kreeg ik een maand later al een brief met een verzoek om uitleg waarom ik dat niet gedaan had. Maar ja, je zal na ruim 25 jaar beroepsleven maar met verlof zijn gegaan om juist dit boek te schrijven en dat bovendien nog fraai in eigen beheer uit te geven, omdat je niet nog een half jaar op een uitgever wil wachten. Erger nog, de Tweede Kamer praat een week na je promotie over je onderwerp en niemand ziet het grote ei - 'opzienbarende resultaten' zegt de auteur zelf - dat net gelegd is.

Ik zag het ei wel liggen, maar ik had er even geen zin in het op te pakken. Gelukkig won de nieuwsgierigheid het van mijn irritatie over de eigendunk en de drammerige briefjes, want het is niet gering wat hier gepresteerd is. Er zijn de laatste jaren al enkele interessante proefschriften over kunsteconomie verschenen - met name 'Why are artists poor?' van Hans Abbing (2002) -, maar Van Klinks boek steelt voor mij toch de show. Zeker ook omdat het goed en meeslepend is geschreven en op iedere bladzijde voelbaar is dat de auteur als beleidsmedewerker op het ministerie en als de kunstendirecteur van de gemeente Groningen de wereld die hij beschrijft, van binnenuit kent. Tegelijkertijd is hij een buitenstaander gebleven, die met een mengeling van verbazing en verbijstering, cynisch analyserend en kritisch oordelend, de ontwikkeling en de gevolgen van een halve eeuw kunstbeleid in kaart brengt. 'De kunstwereld roept altijd om visie en geld, maar het gaat om geld en de verdeling ervan!' In de slothoofdstukken blijkt dan dat hij daar niet eens tegen is, maar vooral lijkt te willen dat dit nu ook maar moet worden toegegeven. Pas na de 'coming out' kunnen overheid en kunstwereld elkaar weer recht in de ogen kijken en bevrijden van de ideologische houdgreep waarin ze elkaar gevangen houden. 'Debunking' is de geheime probleemstelling van deze studie en de uitkomst is een voorstel om met minder kosten voor de overheid een minstens zo goed resultaat te bereiken als met de huidige overbureaucratische kunstenplaneconomie. Het kan allemaal veel zakelijker, efficiënter, sneller en effectiever.

Al tijdens de Duitse bezetting, maar na de oorlog in steeds toenemende mate heeft de overheid de verantwoordelijkheid voor de financiering van kunst en kunstenaars op zich genomen. Het ging niet om veel geld. In 1946 om nauwelijks meer dan drie miljoen gulden en in 2005 om iets meer dan 350 miljoen euro. Op zichzelf is dat een fors bedrag, maar op het totaal van de rijksuitgaven gaat het toch om nog geen 0,3%. De kunstensector (podiumkunsten, beeldende kunsten, film en letteren) zou zonder dit bedrag - met daaraan nog toegevoegd de subsidies van gemeenten en provincies - niet kunnen overleven. In ieder geval niet in de mate waarin dat nu in Nederland het geval is en ook voor de Nederlandse bevolking betaalbaar wordt gehouden. Het toch al niet goedkope kaartje voor de opera zou zonder subsidie niet 100 euro, maar eerder 300 tot 400 euro gaan kosten. Het publiek zou dan in Nederland te klein worden om een goed operahuis in stand te kunnen houden. Joop van den Ende kan met zijn musicals zonder subsidie en met hoge toegangsprijzen werken, omdat hij voor een heel groot publiek een kostbare, maar al elders ontwikkelde productie in hoge frequentie met een lange looptijd op een vaste plaats kan programmeren. Cabaret kan het zonder subsidie stellen, omdat daar de gunstige combinatie bestaat van een groot publiek en relatief lage productiekosten.

Waarom zou de overheid belastinggeld over moeten hebben voor kunst, die op eigen kracht niet voldoende kopers weet te vinden? De argumenten daarvoor horen inmiddels tot de canon van het cultuurbeleid. Kunst is meer een collectief dan een individueel goed, kunst heeft los van de vraag op zichzelf een waarde, kunst draagt bij aan de kwaliteit van de samenleving, bevordert het toerisme en verzekert een aantrekkelijk vestigingsklimaat, tenslotte vraagt kunst ook om investering in opleidingen en voorzieningen om zich te kunnen ontwikkelen. Wanneer we niet naar de kunst, maar naar de 'kopers' kijken, komen andere argumenten ter tafel: bereikbaarheid, beschikbaarheid, betaalbaarheid, ontwikkeling van smaak en onderscheidingsvermogen.

Van Klink ontkent deze argumenten en overwegingen niet, maar relativeert ze wel en laat vooral zien dat ze uiteindelijk in zichzelf vastlopen. Alle pogingen om door betere spreiding, lagere prijzen en hogere opleiding meer mensen tot de kunst te brengen, blijken grotendeels te hebben gefaald. Het publiek voor de podiumkunsten en de beeldende kunsten groeit niet echt en loopt op een aantal gebieden zelfs absoluut en relatief in omvang terug.

Wat wel groeit, is het aantal kunstenaars en het aantal voorzieningen. Het aanbod groeit los van de vraag. Van Klink laat de kunsteconomie daarom een grote ommezwaai maken. Het aanbod is zelf de vraag. Ook in de kunst is arbeid natuurlijk een productiefactor, maar veel opvallender is dat arbeid hier ook zelf een behoefte is. Veel meer mensen willen als schilder, toneelspeler, musicus of danser actief zijn en daar ook hun brood in verdienen dan er in markttermen vraag naar is. Ze willen dat ook zo graag, dat ze bereid zijn met een relatief laag inkomen genoegen te nemen en voorbij te gaan aan de smaak van de markt. De ruimte die de overheid via subsidies biedt om hun werk te doen, wordt dan ook steeds maximaal benut en er is een grote druk om steeds meer geld beschikbaar te stellen.

Uiteraard dwingt dat de overheid ook weer selectief te zijn en te letten op kwaliteit, originaliteit en continuïteit. In de Nederlandse verhoudingen doet de overheid dat niet zelf - 'de overheid is geen oordelaar van kunst' zei Thorbecke al en hij wilde voor kunst ook helemaal geen overheidsgeld beschikbaar stellen (voor wetenschap trouwens ook niet). De beoordeling gebeurt door deskundigen, tegenwoordig in het bijzonder door de Raad voor Cultuur. Van Klink laat zien dat het typisch Nederlandse culturele polderen met zijn ingewikkelde verhoudingen tussen beleidsbepalende politiek, betalend ministerie en adviserende en beoordelende raad tot een bureaucratische moloch heeft geleid, waarin de procedures overheersen. Een niet onaanzienlijk deel van het budget voor de kunsten verdampt via het papier van aanvragen voor subsidie, van adviezen, toekenningen, afwijzingen en beroepsprocedures. Het aantal aanvragers neemt steeds toe en daarmee ook de druk op de instanties die het werk moeten doen. Het kan allemaal veel eenvoudiger en daar doet hij ook voorstellen voor.

Dat klinkt niet zo sensationeel en dat is het ook niet. Het aardige van Van Klinks studie zit toch vooral in zijn analyse van de werking van de kunsteconomie en vooral van de wijze waarop de Nederlandse overheid met de beste bedoelingen langzaam vastloopt in een zelf opgeroepen maalstroom van procedures. Het moet anders. Dat is ook de opvatting van de voorzitter van de Raad voor Cultuur, Winnie Sorgdrager, die afscheid neemt op de dag dat ik dit stukje schrijft. Voorzover Pim van Klink niet zelf de oplossing biedt, toont zijn analyse in ieder geval aan waarom en waar het anders moet.

    • Paul Schnabel