Ik haat mijn vader. Maar toch hou ik ook van hem

'Al op mijn vierde was het ellende thuis. Mijn vader mishandelde mij en mijn broers en zussen. Hij was zwaar aan de drank, hij wist niet wat hij deed. Als hij midden in de nacht thuiskwam, maakte hij ons wakker om ons op onze voeten en handen te slaan. Als je het waagde je hand weg te trekken, kreeg je het dubbele. Hij maakte speciale kabels om ons te slaan. In het weekeinde, als we niet naar school konden, verstopten we ons voor hem onder het bed. Dan liep hij ons scheldend te zoeken. Mijn oudste broers heeft hij het hardst aangepakt. Dat is erg hoor, als je dat moet aanzien. Hij heeft mijn oudste broer weleens een week lang opgesloten in de kelder. Hij zit nu in een inrichting, mijn broer. Mijn vader heeft hem gek geslagen.

Den Haag, 25/01/06. Joemna bij GGD in Den Haag. Verhaal (Z) Renate van der Zee. (Enige Print.) Foto Leo van Velzen/Nrc.Hb. Velzen, Leo van

Mijn moeder probeerde ons te helpen, maar kreeg zelf klappen. Mijn vader had haar laten overkomen uit Marokko. Ze sprak geen woord Nederlands. Daardoor kon ze geen hulp zoeken. Ze heeft me verteld dat mijn vader haar van de trap heeft gegooid toen ze zwanger was van mij. Toen heeft ze wel geprobeerd te vluchten en is er ook politie bij gekomen, maar mijn vader heeft gezegd dat ze van de trap was gevallen. Mijn moeder kon niets zeggen, ze sprak de taal niet. Ze heeft het al die jaren dus gewoon maar volgehouden. Ook omdat ze dacht dat ze niets zou zijn zonder man. Het is in onze cultuur een grote schande om bij je man weg te gaan.

Ik mocht nooit bij vriendinnen blijven slapen, ik mocht geen vriendjes en als ik te laat thuis kwam, kreeg ik met de kabel. Maar daar wist ik wel wat op: dan deed ik snel drie truien aan en vijf broeken. Dat voel je echt veel minder. Ik ging toch mijn eigen gang, ondanks de klappen. Ik heb voor mezelf gevochten. Want ik ben koppig. Ik heb mijn moeders hart, maar mijn vaders bloed.

Toen ik naar de middelbare school ging, zocht ik de aandacht van jongens. Als een jongen maar een beetje aardig was, claimde ik hem meteen. Omdat ik van mijn vader nooit wat kreeg, pikte ik alles wat ik hebben wilde. Kleren, sportschoenen, alles. Op een gegeven moment ben ik gepakt. Ik dacht: ik ga dood, mijn vader maakt me af. Hij weigerde me op te halen op het politiebureau. Maar toen ik thuiskwam, sloeg hij me niet. Hij stond klaar met een stapel hoofddoeken. Hij zei: kies er maar een uit.

Ik liep rond in een stoer trainingspak, op Nikes, daar kun je echt geen hoofddoek bij dragen. Ik peinsde er niet over zo'n ding om te doen. Ik zei: 'Dat kun je niet menen'. Ik klaagde bij mijn moeder, maar die zei: doe hem toch maar om, dan doe je hem op straat weer af. Dat deed ik dus. Maar toen ik zonder hoofddoek op school verscheen, stond mijn vader me op te wachten bij de ingang. Hij was me gevolgd. 'Hoer', riep hij. 'Wacht maar, je gaat dood.'

Ik reageerde me af op school. Mijn klasgenoten waren bang voor mij. Ik wilde altijd het laatste woord hebben en als iets me niet beviel, sloeg ik erop los. Ik ging om met helemaal foute vrienden. Haalde slechte cijfers. Mijn vader werd bijna iedere dag naar school geroepen. Uw dochter heeft weer gevochten, zeiden ze dan. Ik begon ook te spijbelen. Op een gegeven moment moest ik natuurlijk naar een andere school. Daar is het zo uit de hand gelopen dat ik ben opgepakt door de politie. Toen heb ik een tijd in een jeugdgevangenis gezeten. Ik was vijftien jaar.

Het enige waar ik goed in was, was sport. Eerst zat ik op turnen, dat vond mijn vader best. Daarna, toen ik een jaar of zestien, zeventien was, begon ik met vechtsporten. Dat vond ik meteen helemaal te gek. Maar dat mocht natuurlijk weer niet van mijn vader. Hij zei: dat is voor mannen. Maar ik trainde gewoon toch. En het ging hartstikke goed. Na één keer vechten mocht ik al meedoen aan een wedstrijd in het buitenland. Mijn vader geloofde het niet, toen ik vroeg of ik kon gaan. Hij zei: ga maar, hoor. Hij dacht dat het onzin was. Maar ik ging. En geloof me, ik kwam terug met een beker. Ik was een beginner, maar tijdens de wedstrijd kwam er zoveel agressie los dat ik de kampioen heb verslagen.

Die sport heeft me echt geholpen. Ik had geen tijd meer voor mijn foute vrienden. Die zijn nu bijna allemaal verslaafd, of ze zitten in de prostitutie. Maar ik heb mijn school afgemaakt, wat niemand had verwacht.

Na mijn eindexamen wilde ik het leger in. De belangrijkste reden was dat ik weg wilde. Weg van huis, weg van alle ellende. Maar dat mocht natuurlijk weer niet. Het leger, dat was iets voor mannen. Toen heb ik een stomme opleiding gekozen: de kappersschool. Ik heb het afgemaakt, maar omdat ik geen kapster wilde worden, ben ik daarna met een opleiding sociale dienstverlening begonnen. Intussen verdiende ik geld met baantjes in de horeca.

Het keerpunt was mijn achttiende verjaardag. Ik had altijd gedacht: mijn achttiende verjaardag, dat wordt een leuke dag. Maar toen ik die avond laat thuiskwam, kreeg ik ruzie met mijn broer. Ik zei: 'Sla me maar, dat is het enige wat je kunt'. Nou, dat heeft hij gedaan. Hij heeft me helemaal in elkaar geslagen. Mijn vader zat erbij en deed niets. Hij zei: 'Van nu af aan stop je met werken en sporten, je mag alleen nog naar school'. Ik bloedde overal.

Die nacht heb ik mijn polsen doorgesneden en een dosis slaappillen geslikt. Ik wilde niet meer verder. Mijn jongste zusje heeft me gevonden. Toen ik wakker werd in het ziekenhuis vond ik het zo erg dat ik nog leefde. Ik was kwaad. Ik huilde. Mijn vader kwam heel even kijken. Hij opende de deur van de kamer en zei: 'Oh, je leeft nog'. Toen ging hij weer weg. Dat doet pijn, hoor. Echt.

Mijn vader is een raar mannetje. Ik heb weleens aan mijn moeder gevraagd wat er nou met hem aan de hand is. Heeft hij misschien zelf een slechte jeugd gehad? Maar mijn moeder vertelde me dat het hem nooit aan iets heeft ontbroken. Hij is juist altijd verwend door zijn ouders, maar hij dronk al op zijn dertiende. Het is een raadsel. Mijn moeder is ziek. Maar zelfs nu scheldt mijn vader haar verrot. Hij geeft haar de schuld dat zijn kinderen hem haten. Ik haat hem, ja. Maar toch hou ik ook van hem. Raar is dat, hè.

Zijn agressie is wel minder geworden. Hij weet dat hij neergaat als hij mij nu zou slaan. Hij durft mijn moeder ook niet meer te mishandelen als ik er ben. Ik laat dat echt niet toe.

In oktober vorig jaar maakte mijn vriend het uit. We waren zes jaar samengeweest. Hij was de enige die ik nog had. Ik deed niets meer. Kon niet meer slapen. Voelde alleen nog maar pijn, pijn, pijn. Toen heb ik in de auto weer mijn polsen doorgesneden. Maar er waren voorbijgangers die het zagen. Ze hebben me uit de auto getrokken en naar het ziekenhuis gebracht.

Ik had goed diep gesneden, pezen geraakt. Ik kon mijn handen niet meer bewegen. Bij de spoedeisende hulp hebben ze me gehecht. In het ziekenhuis vroegen ze of ze mijn nummer mochten doorgeven aan de suïcide-nazorg van de GGD. Ik zei overal ja op. Maar ik dacht: zodra ik hier weg ben, doe ik het weer.

Toen belde Marion mij op. De eerste afspraak met haar heb ik afgezegd en bij de tweede ben ik niet komen opdagen. Ik had geen behoefte aan hulp. De derde keer vond ik het zielig voor haar als ik weer niet zou komen, dus ben ik maar gegaan. Het klikte. Ze gaf me het gevoel dat ik ertoe deed, dat ik belangrijk was. Ze praatte me moed in. Dat was nieuw voor mij.

Ik was een hoopje ellende. Ik had alles laten vallen: mijn stage, mijn baantje in de horeca, het sporten. Ik ging alleen nog naar mijn opleiding. Marion vond dat ik de sport en mijn stage weer moest oppakken. Maar ik durfde de man bij wie ik stage liep nauwelijks op te bellen. Ik schaamde me dood voor mijn problemen. Uiteindelijk ben ik toch op stagegesprek gegaan en toen vertelde die man dat hij zelf ook ooit een zelfmoordpoging had gedaan. Hij zei: 'Je hoeft je niet te schamen'.

Veel mensen denken dat je alles aankunt als je zo'n zwaar leven hebt gehad als ik. Dat is niet zo. Het heeft me juist kwetsbaarder gemaakt. Ik kan nog niet zeggen dat ik mijn leven weer helemaal op orde heb. Ik ben weer begonnen met trainen. Ik ben opgehouden met roken. Ik heb nu een eigen huisje, maar daar woon ik nog niet. Ik vind het zo zielig voor mijn moeder als ik wegga thuis. Ik voel nog steeds pijn, maar niet meer zo, dat het alles kapot maakt. Ik kan mijn ex-vriend weer in de ogen kijken. Ik heb laatst in de sportschool gesparred tegen zijn beste vriend. Ha, ik heb hem hard gepakt. Hij mij ook, maar ik ben blijven lachen. Pak me maar, zei ik. Probeer het dan. Het lukt je toch niet. Het lukt je nooit.'

Opgetekend door Renate van der Zee Wilt u reageren? Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam

    • Renate van der Zee