Graven in het graf

De herinnering aan de Tweede Wereldoorlog is in Duitsland en Polen nog springlevend. Toch moeten archeologen nu al de feiten aanvullen.

Theo Toebosch

Opgraving in het voormalig concentratiekamp Sachsenhausen. Er werden meer dan 10.000 voorwerpen gevonden. FOTO'S MATTHIAS ANTKOWIAK

De dia's tonen een op het eerste gezicht alledaagse opgraving. Het vlak ligt er keurig geschaafd bij, grondsporen steken duidelijk af en er zijn enkele fundamenten zichtbaar. Maar het zijn geen sporen van Romeinse of middeleeuwse bebouwing. Dit zijn de in 2004 opgegraven fundamenten van twee gevangenenbarakken in het Außenlager Rathenow van concentratiekamp Sachsenhausen', legt archeoloog Matthias Antkowiak zijn gehoor uit. De huidige lokale bevolking zei niets te weten van het bestaan van het voormalige kamp.'

Antkowiak, werkzaam bij het Landesamt Brandenburg, is van huis uit klassiek archeoloog, maar heeft zich gespecialiseerd in de archeologie van de moderne tijd, met name de Tweede Wereldoorlog. Hij was onlangs één van de sprekers op een symposium in Berlijn over de wijze waarop lokale archeologen omgaan met de sporen uit de Tweede Wereldoorlog.

De Brandenburgse archeologen zoeken niet gericht naar vindplaatsen uit de Tweede Wereldoorlog. Antkowiak: Het gaat om noodopgravingen als gevolg van de vele bouwactiviteiten in de voormalige DDR.' Hij weet het: critici vragen zich af wat de zin is van deze jonge vorm van archeologie, want er zijn toch getuigen en documenten genoeg om het verhaal van de Tweede Wereldoorlog te vertellen. Voorstanders als hij beweren niet dat archeologische sporen een totaal nieuwe kijk op de Tweede Wereldoorlog opleveren. Ze vullen vooral lokale geschiedenissen in. De resten van een kamp bij Kleinmachnow, waar de gevangenen in een fabriek van de firma Bosch moesten werken, vertellen bijvoorbeeld over het onderscheid dat de Duitsers maakten: de barakken voor de westerse gevangen hadden een stevig betonnen fundament en beschikten over sanitair, de barakken voor Sovjet-burgers en soldaten van het Rode Leger stonden op houten palen en hadden geen sanitair.

Nog een reden om archeologie bij onderzoek van de Nazi-tijd te betrekken: het aantal nog levende ooggetuigen wordt kleiner en hun getuigenissen blijken niet altijd betrouwbaar. Opgravingen van een kamp maakten bijvoorbeeld duidelijk dat er geen acht of vijfentwintig barakken waren, zoals vroegere gevangenen gemeld hadden, maar tien. Ook maken getuigen dingen mooier of erger dan ze waren. Een opgegraven aluminium sleutel relativeert dan de in de DDR-tijd nog veel geroemde solidariteit onder de gevangenen van Buchenwald, getuige de ingekraste cyrillische tekst: 'Neem je eigen sleutel, niet de mijne, zigeuner'. Ook de vele documenten en kaarten zijn niet zaligmakend. De 'gründliche' Nazi's zetten lang niet alles op papier. Van kampen als dat van Rathenow bestaan zelfs geen plattegronden, alleen Amerikaanse luchtfoto's. En wat wel op papier staat, kan in werkelijkheid anders of niet volledig zijn geweest. Het grote voordeel van archeologische sporen, zeggen de archeologen dan ook, is dat ze niet liegen en verdraaien.

Dat bleek ook bij Rathenow. De huidige bewoners wisten zeker dat er bij hen geen concentratiekamp was geweest en dat er dus geen opgraving nodig was. De vondst van de fundamenten van wachttorens, sporen van dubbele rijen prikkeldraad en aardewerk uit de SS-fabriek Bohemia liet ook hun uiteindelijk weinig reden tot twijfel. Alleen de SS bewaakte concentratiekampen', legt Antkowiak uit. Na publicaties in de lokale pers meldde zich een getuige uit de buurt die vertelde dat zij vroeger de gevangenen uit het kamp op weg naar een fabriek had gezien en dat het concentratiekamp al in 1941 bestond. Antkowiak heeft echter geen sporen gevonden die ouder zijn dan 1944. In de omgeving waren nog twee Außenkommandos van Ravensbrück en een kamp voor dwangarbeiders. Misschien heeft de getuige de kampen verwisseld.'

De aanwezigen op het Berlijnse symposium zijn het er over eens dat de vondsten niet alleen wetenschappelijke waarde hebben. Vondsten als die van een aluminium doos in het kamp Rathenow met de ingekraste naam 'Van Loon' en het nummer '100980' geven authenticiteit aan de al bekende verhalen en verdienen daarom een plek op een tentoonstelling 'met historische samenhang'. Zestig jaar na de val van Berlijn blijft de Nazi-tijd voor de Duitse archeologen een gevoelig onderwerp, waarover ze in morele termen als 'zwarte bladzijden' spreken. Antkowiak besluit zijn lezing met de woorden dat zijn vondsten ook bewijzen zijn voor begane misdaden. Bewijzen die volgens de ideologie van de daders niet zouden moeten bestaan. () Het doel van de daders, de vernietiging van de herinnering aan de slachtoffers, wordt door het behoud van de materiële getuigenissen radicaal omgekeerd.'

Tentoonstellingen over de archeologie van de Nazi's zullen daarom in Duitsland voorlopig nog wel moreel beladen titels als 'Archäologie des Grauens' meekrijgen. Want zoals een aanwezige prehistoricus zegt: Wat zouden ze in het buitenland zeggen als we dat niet doen?'

De Polen zijn wèl gericht met archeologen op zoek gegaan naar sporen uit de Tweede Wereldoorlog, vertelt de Poolse archeologe Danuta Metz in haar lezing. Kort na de Wende in 1989 heeft de Poolse regering de Raad ter Bescherming van de Herinnering aan Oorlogsslachtoffers en Martelaren in het leven geroepen. Eerste taak was onderzoeken wat gebeurd was met de 22.000 soldaten, officieren, politici en intellectuelen die in 1939 waren afgevoerd, nadat de Sovjets het oosten van Polen waren binnengevallen. In 1943 al waren de Duitsers in een bos bij Katyn op Poolse lijken gestuit, maar pas in 1990 had Gorbatsjov de Polen documenten gegeven waaruit bleek dat de Sovjets de Polen hadden geëxecuteerd. Archeologische opgravingen tussen 1991 en 1996 maakten duidelijk dat in de tussenliggende jaren de Russen geprobeerd hebben de Duitsers de schuld voor de massamoord te geven. Ze hebben Duitse kranten tussen de door hen herbegraven overblijfselen gestopt en Russische kogels door Duitse vervangen. De archeologen ontdekten dat de Russen bij hun bedrog slordig te werk zijn gegaan. Alleen bij de bovenste lagen met stoffelijke resten waren de kogels verwisseld en in sommige graven lagen meer schedels dan skeletresten. De Poolse archeologen vonden bij Katyn ook massagraven met Sovjet-slachtoffers van Stalin. Metz: Je ziet vaker dat executieplaatsen elkaar overlappen.'

Zelf is Metz met de Universiteit van Torun betrokken geweest bij de opgraving van Gross-Born bij Neustettin. Het was bekend dat de Duitsers het terrein bij de stad voor speciale legeroefeningen hadden gebruikt. Na 1945 kwam de plek niet meer op kaarten voor, omdat de Russen hem tot autonoom gebied hadden verklaard en er tanks van het Rode Leger hadden gestationeerd. Na de val van het Sovjetrijk werd het gebied voor bosbouw ingericht en vonden arbeiders overal botten. In 2002 kregen Metz en haar collega's opdracht het gebied te onderzoeken. Uit de opgravingen bleek dat hier 100.000 tot 120.000 Sovjet-soldaten, de meesten naakt, begraven waren. De Duitsers hadden na de inval in de Sovjet-Unie een kamp van 26 hectare voor krijgsgevangenen van het Rode Leger ingericht. Uit de weinig bewaard gebleven documenten was bekend dat de omstandigheden zeer slecht waren.' De Polen hebben hun vondsten aan de Russen gemeld. Ze hebben niet gereageerd. Ze moeten er al van geweten hebben, want vele botten lagen aan de oppervlakte, maar ze hebben er met hun tanks gewoon overheen gereden.'

    • Theo Toebosch