De therapeutische werking van Roemeense zigeuners 1

'Ik zal honderd jaar op je wachten', belooft de cimbalist: 'Je hebt zulke prachtige tieten.' Dat laatste was zo'n beetje het refrein van de avond. Dóra en de cimbalist zitten palinka te drinken aan een eenvoudige tafel in het tijdelijke appartement in Boekarest. 'Ik heb 80 euro nodig', voegt hij er aan toe terwijl hij naar Dóra's borsten staart.

'Ionica, al had ik het, ik zou het je niet geven', zegt Dóra. Zij is - mijn inschatting nu we twee dagen op reis zijn - de laatste in Centraal Europa bij wie je moet aankloppen om geld. Van derden vernam ik dat zij op de pof leeft sinds zij 12 jaar geleden naar Boedapest kwam. Dóra, die 's morgens vroeg bij het ontbijt het - door mij te betalen - avondeten wil plannen uit angst het mis te lopen. Dóra, die als een hofdame behandeld wenst te worden en er tegelijkertijd geen been in ziet haar toneelstukje van grand dame nu en dan te onderbreken om een flinke fluim op de kasseien te rochelen. Dóra, die geen fles zelf openmaakt, geen glas zelf inschenkt. Dóra, die als de Nederlandse caféhouder in Boekarest een drankje aanbiedt, onmiddellijk een grote bel Calvados vraagt en vervolgens als voornaamste zorg heeft hoe ze nóg zo'n bel kan laten aanrukken. Dóra, die andermans sigaretten tussen haar lippen klemt en wacht tot een heer een vuurtje geeft. Dóra, die het zich laten fêteren tot hogere kunst heeft verheven.

'Ik heb geld nodig voor een taxi. Van hier naar huis is drie uur lopen', verzucht Ionica. Hij heeft een leren Renault R1 motorjack aan dat een vermogen moet hebben gekost en zo'n hip baardje, met haren op zijn kin maar niet op zijn kaken. Hij probeert de rollen om te draaien en daar moet Dóra niets van hebben.

'Ionica, je bent een volwassen vent', foetert zij. 'Je bent gekomen en je weet dat je ook weer moet gaan. Dat moet jezelf regelen.' We logeren in het 'Hongarije Huis', een fraaie oude stadsvilla in het centrum van Boekarest. Als het buiten licht begint te worden vertrekt Ionica, als een geslagen hond.

We - Zsofia, fotografe en voormalig Europees Kampioen Hoogspringen, antropologe Dóra en schrijver Scholten Jaap - zijn per trein naar Roemenië gereisd om een reportage te maken over de beroemdste zigeunerband ter wereld en het dorp waar ze leven. Ionica, cimbalist van die band, wachtte ons midden in de nacht op in het Boekarester Noordstation. De trein zat barstensvol Roemeense soldaten die na één lodderige oogopslag verliefd werden op mijn reisgenotes en 'I love you! I love you! I miss you!' door het gangpad bulderden.

Voordat wij afreisden belde Ionica om Dóra te laten weten dat hij ons kwam ophalen en dat we 300 euro voor hem mee moesten nemen, hij had namelijk dringend nieuwe schoenen nodig. Nu ben ik een zuinige Twentenaar - ik geloof niet dat ik zelf ooit 300 euro aan schoenen heb uitgegeven - en een van mijn grotere angsten is, waar en wanneer dan ook, afgezet te worden. Uit opmerkingen van het Belgische management van de beroemdste zigeunerband ter wereld had ik wel al opgemaakt dat de bandleden niets voor niets deden.

Het was ijskoud toen we in Boekarest uit de afgeragde trein stapten. Het eerste wat ik zag aan het eind van het perron in het uitgestorven station was een stel prachtige, glanzende schoenen. Oneindig lange, spits toelopende, leren krullers. Schoenen voor een close-up. Schoenen zoals je in Milaan of New York kan kopen, maar verder nergens ter wereld. In de scherpgesneden schoenen stond een sympathieke zigeuner met trouwe hondenogen - Ionica.

Kussen, kreetjes, omhelzingen, opgewonden gedoe, iedereen blij: Ionica omdat Dóra en haar tieten daadwerkelijk helemaal naar Boekarest waren gereisd en hij bovendien de zilvervloot zag binnenvaren in de vorm van de lange, blonde vreemdeling. De dames omdat de muzikant mooi zijn woord had gehouden en daarmee het vooroordeel dat zigeuners onbetrouwbaar zijn onmiddellijk krachtig loochenstrafte. De Twentenaar omdat hij een kant-en-klaar nachtritje naar het appartement ging krijgen, maar vooral omdat de eerste vage belofte van de trip zomaar ingelost werd.

Uit donkere hoeken van het station doken nog twee zigeuners op, met een minder solide uitstraling dan de cimbalist. De bijrijder was pafferig, de chauffeur mager als een coyote, met een paar tanden, de meeste van goud. Ik perste me naast Dóra, Zsofia en Ionica op de achterbank van de Dacia. Op de autoradio jengelde manele. We scheurden door verlaten Boekarest. De coyote keek af en toe grijnzend achterom. De gouden tanden glinsterden in het voorbijschietende licht van straatlantaarns. De cimbalist hield de vrouwentailles in zijn greep als waren het cimbaalstokjes.

In de trein had ik de dames gezegd, dat als er tijdens ons werkbezoek aan Roemenië dingen gebeurden die tegen hun zin waren, zij dit moesten melden. Dat ik dan mijn best zou doen hen te ontzetten. Een delicate zaak: zij kenden de zigeuners die we gingen opzoeken al zeven jaar en waren bij herhaling door hen ten huwelijk gevraagd. De lokale mores waren mij nagenoeg onbekend. Misschien zag men mij slechts als een loopjongen die de bruiden kwam afleveren.

Dóra gooide waar ze kon olie op het vuur en vroeg bloedserieus: 'Kan je in je eentje zes zigeuners aan?' 'Dat weet ik niet', antwoordde ik: 'Dat hangt af van hoe groot ze zijn en welke wapens ik bij de hand heb.' 'Niet weten', schamperde Dóra, 'betekent niet dus!'

Door voortdurend gevaar te suggereren wist Dóra in ieder geval het uitstapje bij voorbaat de romantische, heroïsche waas te geven van een vooroorlogse expeditie. Ik voelde me een missionaris die met twee nonnenmaagden naar een onbekende stam van kannibalen in de moerassige binnenlanden van Papoea Nieuw Guinea toog.

(wordt vervolgd)

jaap@scholten.hu

    • Jaap Scholten