'Wij kunnen ons nooit verstoppen'

Veldrijder Richard Groenendaal rijdt zondag zijn elfde WK bij de profs. Kansrijk in het Gelderse Zeddam? 'Van een topconditie kan je in elk geval niet spreken.'

Richard Groenendaal bij het NK. Foto Merlin Daleman NK Veldrijden Huijbergen 08-01-06 © Foto Merlin Daleman Merlin Daleman ©

Richard Groenendaal heeft zojuist het parcours verkend waarop dit weekeinde de wereldkampioenschappen in Zeddam worden verreden. Of het hem ligt? Een typisch antwoord van een veldrijder. 'Het is keihard en het blijft keihard. Voordeel is dan in elk geval dat je ook bij een mindere start niet verloren bent. Een groepje gaat hier niet per se harder.'

Veldrijders denken vaak in termen van problemen. Slechte start, materiaalpech, lichamelijke problemen. Niet vreemd, de belasting in het korte seizoen is groot, het weer bijna altijd winters en ze rijden een uur lang 'in het rood'. Groenendaal (34) is bijvoorbeeld al weer weken onafscheidelijk met zijn zakdoek. 'Sinds de Nederlandse kampioenschappen [bijna drie weken geleden] heb ik al last van een virus, heb zelfs antibiotica genomen. Nu gaat het iets beter, maar ik heb geen idee hoe het zondag zal gaan. Van een topconditie kan je in elk geval niet spreken.'

Groenendaal, die bij de NK naast zijn negende kampioenstrui greep, schat zijn kansen op een tweede wereldtitel niet hoog in. 'In procenten, vijf tot tien. En zo zijn er nog wel tien renners die een vergelijkbare kans maken. Alleen [de Belg] Sven Nys zit op 20 procent kans.'

Geluk voor Groenendaal is dat hij niet de enige is die last heeft van virussen of pijntjes (gekneusde duim). Ook Gerben de Knegt was eerder deze maand niet in goeden doen. Is het klagen eigen aan veldrijders? 'Ach, misschien. Het nadeel van veldrijden is dat je je niet kan verstoppen. Het is heel transparant. Als je op de weg een keer je dag niet hebt, ga je rustig in het peloton zitten. Ik word bij wijze van spreken vijftiende en dan vraag jij mij hoe dat komt?'

Groenendaal noemt zichzelf geen slecht verliezer. 'Ik ben een van de weinige coureurs die eerlijk zeggen na een race dat ze niet goed waren. Dan ga ik geen excuses zoeken. Bij de meesten is dat anders. Zat het niet in de kop, dan zat het wel in de kont.'

Op Groenendaals prestaties in Zeddam is eigenlijk geen peil te trekken want succesvolle en mislukte koersen wisselen elkaar af. Met name de beruchte trap van ruim honderd treden ligt hem niet. Dat obstakel - voor de televisiecamera's een schitterende plek voor opnames - moest van de international wielerunie UCI uit het parcours omdat er geen toeschouwers konden staan. Dit weekeinde (zaterdag de junioren en beloftes, zondag de vrouwen en de profs) moeten er twee kleinere trappen worden genomen. 'Zo'n obstakel van honderd treden hoort ook niet bij een WK, want eigenlijk was het hele parcours erop afgestemd. Nu is het veel evenwichtiger. Hier kan iedereen goed rijden.'

Ondanks de grotere en kleinere problemen lijkt de 34-jarige crosser meer ontspannen dan ooit. Na zijn verloren NK deden De Knegt (Nederlands kampioen) en Groenendaal hun beklag over het zware seizoen. Tegelijkertijd lachten ze over de goede verdiensten die vooral Belgische organisatoren hun wekelijks garandeerden. Eigenlijk staken ze een beetje de draak met zichzelf. 'Nee, ik geloof niet dat ik meer ontspannen ben. Alleen heeft het geen zin om op mijn kop te gaan staan als ik verlies: we wisten bij het NK dat Gerben goed reed. En dan kan je dus verslagen worden.'

Immens populair denkt hij nooit te worden. 'Ik kan het niet iedereen goed naar de zin maken, en dat ga ik niet proberen ook. Het is wel zo dat de mensen, met name in België, niet meer zo negatief op mij reageren als een paar jaar geleden. Maar dat kan ook met de mindere prestaties in België te maken hebben. En ik word ook iets ouder.'

Zes jaar geleden was hij in zijn eigen Sint-Michielsgestel de laatste niet-Belg die wereldkampioen werd. In zijn twaalf profjaren was het tot nu toe zijn enige wereldtitel. 'Misschien hadden het er meer kunnen zijn, maar ik denk dat het vooral komt door problemen met mijn gezondheid. Zoals die met mijn knie.' Mondiale titels voor Nederlandse veldrijders zijn sowieso spaarzaam. Alleen Adrie van der Poel (1995), Hennie Stamsnijder (1991) en Henk Baars (1990) wisten die één keer te bemachtigen. 'En internationaal gezien is de basis alleen maar breder geworden. Als je tien jaar geleden een slechte dag had, werd je vijfde, nu zit je direct op een vijftiende plaats.'

Ondanks de traditionele verdeeldheid in de Belgische ploeg grossiert dat land in regenboogtruien. 'Omdat veldrijden in dat land zo'n grote sport is - ook voor de media daar - dienen zich meer talenten aan. Toen ik in 2000 wereldkampioen was geworden, besteedde de NOS direct ook meer aandacht aan het veldrijden.'

Volgens Groenendaal speelt het nauwelijks een rol als de Belgische equipe verdeeld zou zijn. 'Ploegentactiek is niet zo belangrijk als bij een wereldkampioenschap op de weg. Dan heb je knechten die tot twee rondes voor het eind voor de kopman werken. Bij ons koers je voor je zelf en kan je hoogstens afspreken elkaar te helpen. Dat gebeurt zeker, maar we blijven individualisten.'